Gelukszoekers






Zeearend in Oderdelta, Oderdelta en Wolin National Park, meeuwen concurreren met arenden om vis maar vormen zelf ook prooi: meer beeld Oderdelta op de fotosectie van deze site

Dankzij het verbod op DDT en succesvolle natuurbescherming in Polen en Duitsland is er nu zelfs een broedend zeearendenpaar in ons overvolle land. Maar één arendpaar maakt nog geen gezonde populatie. Wat kan Nederland dus van beide landen leren om meer 'vliegende deuren'te krijgen?

Voor het eerst in de geschreven geschiedenis broedt de zeearend in ons land, en dat is geen toeval. Want het gaat historisch goed met deze roofvogel in Europa, en een nieuwe lichting arenden staat te trappelen aan onze grenzen. Alleen al bij onze Oosterburen in Duitsland is het aantal broedparen in tien jaar geëxplodeerd van 267 in 1995 naar 525 paar dit jaar. Het Poolse arendenbestand groeide in 20 jaar van 120 naar 700 paar. Ondanks de klaagzangen die vaak uit het ecologische kamp opsteken blijkt er dus ook reden voor optimisme.

De zeearend volgt een trend die ook andere roofvogels laten zien dankzij het uitbannen van bestrijdingsmiddel DDT in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Maar meer dan bij andere roofvogels heeft intensieve bescherming bij de Oosterburen aan zeearendsucces bijgedragen. Wil Nederland een goed gastland zijn dan lijkt het dus verstandig om in de keuken te kijken van natuurbeschermers in de zeearend donorlanden.Wat kunnen wij van Duitse en Poolse biologen opsteken?

Wat de hoeveelheid beschikbaar zeearendhabitat betreft is het een beetje oneerlijk verdeeld op deze wereld. Versnipperd Nederland mag een deltaland zijn met geschikte broedplaatsen, ons rivierengebied zal nooit de broeddichtheden halen die in Polen en oostelijk Duitsland voorkomen. Dit blijkt wel na een bezoek aan hét zeearend-modelgebied in de buurt, slechts twee uur rijden vanaf Berlijn: de Oderdelta.

Met dit jaar 1,4 paar per 1000 hectare heeft de delta ten oosten van Stettin de op één na grootste broeddichtheid van Europa, een record dat alleen enkele Noorse fjorden overtreffen. Dit jaar broeden arenden in de Oderdelta op 280 meter afstand van elkaar. Ook werd het eerste nest in boom in open weiland gevonden, een situatie die Poolse roofvogelbioloog Tadeusz Mizera tien jaar geleden nog voor ‘onmogelijk’ hield.

Samen met de geboorteplaats van onze Oostvaardersplassen-arend, het Duitse Sleeswijk Holstein en Mecklenburg Vorpommern is deze delta grootleverancier van overwinterende juveniele zeearenden bij ons. Het gebied lijkt met haar in totaal 13.000 vierkante kilometer water en natuurgebied een uitgestrektere variant op de Hollandse delta. Een half miljoen overwinterende watervogels zorgen hier voor een waar arendenvreetfeest, en bij mijn eerste vaartocht over de Oder wordt dit al meteen gevierd. Twee baltsende arenden haken in elkaars klauwen en tuimelen als een wentelwiek naar beneden.

Dankzij ontmoediging van particulier initiatief door 50 jaar socialisme, strekt zich in het Poolse deel nog kilometers niemandsland uit. Enkel de natuur zelf lijkt hier iets mee te doen. Een overvloed oud beukenbos en tot 25 meter hoog elzenbroekbos geeft uitgebreide broedmogelijkheden. Naast enkele broedende zeearenden zijn in deze moerasbossen in het voorjaar territoriale kraanvogels te horen. Het galmende trompetgeluid van de ‘kranen’klinkt dan als een jazzmusicus op de climax van zijn solo.

Op de hoger gelegen Holocene zandgronden aan de noordoostzijde van de Haff (Germaans voor lagune) domineert aanplant van grove dennen. Nog 23 procent van het bosoppervlak in Wolin National Park, een 10.000 hectare groot reservaat aan de Baltische zee bestaat uit oud beukenbos. Dit hellingbos groeit tegen de 95 meter hoge zandige kliffen aan in de zee en vormt hier een belangrijke uitvalsbasis van arenden die de delta bejagen. De zeearend vormt het embleem van het Wolinski Park Narodowny, zoals dat op z’n Pools heet.

Beheer

In de Oderdelta wordt nauwelijks beheer gevoerd dat zich richt op de zeearend, omdat het gebied zo al ideaal is. Voorkomen dat de natuur versnippert in handen van projectontwikkelaars lijkt hier het devies. Met hulp van Natuurmonumenten en financiële steun van Stichting Doen en de Postcodeloterij is hiermee een begin gemaakt. Vanaf 1995 kocht de Europese Kustunie EUCC bijvoorbeeld 900 hectare natuurgrond op strategische plaatsen. Stettin wilde zijn haven namelijk tot ver in de Delta uitbreiden. Maar deze ambities werden mede dankzij de milieulobby van EUCC en Eurosite afgeketst. De Wereldbank, die miljarden in Stettin zou steken trok haar financiering in.

In oktober vorig jaar werd dit gebied in het Czarnocin Basin uitgeroepen tot het eerste Poolse landschapspark in particuliere handen, namelijk de Poolse afdeling van de EUCC. Het strategische aankopen moet volgens EUCC-directeur Kazimierz Rabski ervoor zorgen dat projectontwikkelaars niet zomaar hun slag kunnen slaan. Uitbreiding staat op het programma, en meer en meer broedterrein voor zeearenden, maar ook kraanvogels en kwartelkoningen wordt zo veilig gesteld.

Arenden hebben de ruimte nodig en sneuvelen regelmatig bij teveel obstakels in het landschap. Windmolens blijken zelfs gehaktmolens die een desastreuze invloed hebben. Na de aanleg in 2001 van een windmolenpark op de Noorse Smøla Archipel zakte de broedpaardichtheid van een historisch hoge 1,9 paar per 1000 hectare naar 0,2 paar, zo melde het Noorse instituut voor Natuuronderzoek Nina in augustus dit jaar.

In Noord-Duitsland komt tien procent van de doodsoorzaken van arenden voor rekening van windmolens, waarvan de wieken de vogels soms letterlijk in tweeën hakken. De aanleg van meer windmolens in geschikte zeearendhabitat, zoals in de Flevopolder zal de overlevingskansen van arenden dus negatief kunnen beïnvloeden. Een ideaal voedselgebied kan door de aanwezigheid van windturbines zelfs als ecologische val werken, als arenden hier door de gehaktmolen worden gedraaid.

Daarnaast blijkt vooral treinverkeer dodelijk, zowel voor buizerds als arenden die een verkeersslachtoffer van de spoorbaan willen plukken. Wie meer arenden wil stopt dus met de aanleg van windmolens en schermt de spoorbaan af van de buitenwereld, zoals met de lijn Weesp-Almere is gebeurd. Onderzoek in Sleeswijk Holstein naar de exacte impact van windmolens en verkeer op de aanwas loopt nog.

Nestbescherming

Uwaga! Wie bij komst in de Oderdelta deze Poolse oerkreet op een bord leest, heet een gewaarschuwd mens. Meestal geldt de waarschuwing voor een boerderijhond, de ‘Pies’die grommend op de kuiten mikt. Maar de combinatie Uwaga en bielik duidt op broedende zeearenden, en het dringende verzoek om ze niet te verstoren.

Wanneer de bielik, de zeearend dus een stuk bos heeft uitverkoren als broedgebied, verklaart het Poolse bosbouwdepartement een cirkel van 500 meter rond de nestboom tot beschermd gebied. Tijdens de eileg is de arend namelijk bijzonder gevoelig voor verstoring. In een cirkel van 200 meter mogen enkel vergunninghouders komen en de boswachter die indringers zonder papieren betrapt schopt ze zonder pardon het gebied uit.

Poolse biologen van het Eagle Protection Committee en bosbouwers werken in Polen nauw samen bij de nestbescherming, en houden nu 70 procent van de in totaal 700 broedparen in de gaten. In Sleeswijk Holstein werken jaarlijks van februari tot juli 200 vrijwilligers de klok rond om nesten te bewaken tegen indringers, meestal nieuwsgierige fotografen en recreanten. Die intensieve nestbewaking laat zijn sporen na. Sleeswijk Holstein kent op Europees niveau het hoogste broedsucces. Van de paren die dit jaar aan broeden begonnen bracht dit jaar 84 procent succesvol jongen groot. Het gemiddelde broedsucces ligt normaal gesproken iets boven de 60 procent. In Sleeswijk Holstein vlogen zo weer 64 nieuwe arenden uit waarvan ongetwijfeld weer een aantal onze kant opkomen.

Op basis van modelberekeningen die zeearendbioloog dr. Bernd Struwe-Juhl komend jaar publiceert zouden in heel Duitsland zeker 800 paar kunnen broeden. De Denen hebben nu 20 broedparen binnen de grenzen en dit zou kunnen groeien naar 150 paar, berekend op basis van beschikbaar habitat en voedsel. Mizera noemt 1200 paar voor Polen haalbaar. “Maar dat zeg ik nu”, vertelt hij. “Nog maar 20 jaar geleden voorspelden we een maximum van 200 paar.”

Voor Nederland noemt Struwe-Juhl een aantal van 10-20 paar, met als beperkende factor de broedgelegenheid door gebrek aan bos en de drukte. Volgens Struwe-Juhl is juist het ontbreken van verstorende recreatie in de Oostvaardersplassen dé reden voor het eerste broedgeval in dit gebied.

Grote grazers, kleine grazers

Voedsel geeft de doorslag voor vestiging, maar wat eet de arend het liefst? Volgens Staatsbosbeheer kwamen de zeearenden tot broeden in de Oostvaardersplassen dankzij de dode edelherten in het gebied. Godfather van het gebied, ecoloog Frans Vera noemt de arend zelfs de ‘gier van het noorden’, al lijkt die claim meer op fantasie gebaseerd dan op onderzoek.

Nu had de winterse dode grazersexplosie in de Oostvaardersplassen vast geen afschrikkend effect. Arenden zijn opportunisten. Maar uit geen enkele buitenlandse waarneming in de afgelopen 35 jaar blijkt dat de arenden dankzij de kadaverdiscipline van een natuurbeheerder tot broeden komen. In tegendeel. Pogingen van de Denen in 1991 om de arenden op Jutland te lokken met uitgelegde zoogdierkadavers mislukten. Er volgde geen broedpoging. Het eerste Deense broedgeval vond plaats in 1995 op Lolland, waar vis 70 procent van het hoofdvoedsel vormt.

De Odermonding en de Baltische zee bij Wolin vormt één van de belangrijkste overwinteringsplekken van grote zaagbekken (Mergus merganser) in Europa en werkt daardoor als magneet op arenden. Deze zaagbekken en andere watervogels vormen dan 70-90 procent van het dieet. Bij de arenden in Sleeswijk Holstein, waar ‘onze’arend Anna uitvloog geldt dit zelfde beeld. Zodra de binnenmeren in deze Duitse deelstaat dichtvriezen schakelt de zeearend over van vis (70 %) naar vogels (67-80 %).

De arenden trekken de eenden achterna richting Baltische zee. “Aas staat wel op het menu maar vormt nooit meer dan 10 procent van het dieet’, verklaart Struwe- Juhl, die de Duitse arenden al decennia volgt. Voorzitter van de Projektgruppe Seeadlerschutz prof. dr. Rainer Kollmann noemt de SBB-claim dan ook ‘overdreven’.

De Hollandse arenden bevestigen dit beeld. Uit voedselonderzoek van de Werkgroep Roofvogels Nederland dit jaar bleek dat eenden, ganzen en vis het hoofdmenu vormen, voor ouders en jong. Op de arendhorst werd slechts één braakbal met paardenhaar gevonden.

Veel belangrijker is dus de hoeveelheid vis en de grote concentratie watervogels in ons deltaland. Die lijkt gunstig in zowel Biesbosch, Lauwersmeer als de Oostvaardersplassen. Van 1975 tot 2005 is het aantal overwinterende ganzen in ons land meer dan vertienvoudigd, zo blijkt uit cijfers van het Milieu Natuur Planbureau en Sovon. Het aantal grauwe ganzen dat broedt in ons land is toegenomen van 150 paar in 1970 tot 25.000 paar, en dat is gunstig voor de arend. Wat in de Oostvaardersplassen al bleek is dat de arenden zich regelmatig vergrijpen aan makkelijk te vangen jonge en ruiende ganzen, kleine grazers dus.

Uit onderzoek van Duitse biologen blijkt dat bij toename van zeearenden ook de aalscholver zijn beste tijd heeft gehad. Zeearenden stropen in Sleeswijk Holstein systematisch de nesten van kolonies af tot er geen jong meer over is, en de arenden troggelen oudervogels hun vis af.

Aanwezigheid van zeearenden leidde al tot de decimering en verplaatsing van tenminste drie kolonies in de deelstaat. Ook verlegden de aalscholvers hun slaapplek, ver uit de buurt van zeearenden.

Verse vis en eend heeft dus de voorkeur boven diepgevroren dood paard, en dit bepaalt de aanwezigheid van arenden.. In het oosten van Polen heeft aas in haar vaak strenge winters wel een belangrijke functie. Polen herbergt volgens Mizera een voorraad van 600.000 edelherten en de miljoen everzwijnen rond, waarvan wel eens één sneuvelt. Tussen vogels bestaan individueel verschillen in voedselgewoontes, en sommige arenden specialiseren zich in kippen maar ook aas.

Wat nu?

Hoe zet Nederland dus de deur wijd open voor de zeearend? Meer broedparen in Nederland is deels een kwestie van keuzes. Net als in Polen en Duitsland, moet terrein waar paarvormende zeearenden huizen al vroeg in de broedtijd worden afgesloten voor recreanten. Dit zal nog een lastige maatregel blijken voor natuurorganisaties die zoeken naar ‘draagvlak’en die zichzelf ‘de grootste fitnessruimte van het land’ noemen. Het blijkt in ieder geval geen toeval dat een voor recreatie afgesloten gebied als de Oostvaardersplassen ook het eerste broedgeval herbergt.

 Duitse arenden zullen onze kant op blijven komen, en wie ze tot broeden wil krijgen zal dus gebieden van Nordic Walkers, en andere uitwassen van de gezondheidscultus moeten vrijwaren. Er zouden anders wel eens te weinig plaatsen kunnen zijn waar voldoende rust heerst. Zeker in gebieden die bij watersporters favoriet zijn zoals het rivierengebied, de Biesbosch en Lauwersmeer, huigige zeearendpleisterplaatsen zal meer terrein moeten worden gesloten dan recreanten lief is.

Toch is er hoop. Volgens prof. Rainer Kollmann, voorzitter van de Seeadlerschutzgruppe in Sleeswijk Holstein worden arenden minder kieskeurig in broedplaatsen als voldoende voedsel aanwezig is. Als voorbeeld noemt hij de kolonisatie van de westkust van de deelstaat, die qua drukte overeenkomt met onze delta. Ook nestelt een paar al op 300 meter van de snelweg, al geeft Kollmann aan dat de arenden gevoelig blijven voor verstoring. 

Wie meer arenden wil moet daar in de ruimtelijke ordening rekening mee houden. Dat houdt dus in dat de aanleg van windmolens bij natuurgebied moet worden tegengegaan en dat nieuwe spoorbanen moeten worden afgedekt. Laatstgenoemde is kostbaar, zeker als het enige doel de terugkeer van een vogel is. Tegengaan van versnippering, een maatregel waar Polen net mee begint blijft ook in Nederland actueel. De aanleg van de Ecologische Hoofdstructuur loopt ver achter en de bebouwing is in 15 jaar met 20 procent toegenomen.

Aan de andere kant ontstaan in het kader van programma’s als Ruimte voor de Rivier nieuwe geschikte habitats voor zeearenden langs Rijn, Maas en Waal, zoals de Millingerwaard, die in de toekomst bezet kunnen worden. Er is voedsel in overvloed voor de arenden dus om die reden hoeft het ook niet over te gaan. Rest dus nog enkele jaren geduld voor een tweede en derde broedpaar volgen.

Wie niet van wachten houdt, en nu al meer dan een stipje wil zien rijdt naar de Oderdelta, wappert daar met wat euro’s bij een lokale visser. In een bootje op de Oderhaff naderen de arenden dan op enkele tientallen meters om uitgeworpen vis te grijpen. Zo krijg je in de vorm van reusachtige roofvogels en uitgestrekte ruigte weer een glimp te zien van hoe onze delta ooit in een duister verleden was. Met succesvolle natuurbescherming is weer iets van deze oervorm terug te krijgen. En in stilte dank je de Duitsers en Polen.

http://www.rypkezeilmaker.nl/typo/index.php?id=248#293