Dierengerechten



Na enkele vegetarische horrorervaringen ben ik er uit: een gezonde dosis dierenleed is onmisbaar, want echt lekker eten doe je niet met je geweten.

Ik ben een strijder voor dierengerechten. Een onverbeterlijk vleesliefhebber, carnivoor en vermoed dat dit wel nooit meer zal omslaan in een voorkeur voor knolselderij, schorseneren en ander vegetatie. De herbivoor in mij zit te diep verborgen. Toch heb ik ruim de gelegenheid gekregen om van vlees af te kicken. Als student in Wageningen ben ik bij wijze van bijbaan bijvoorbeeld in het voorportaal van de dierenhel terecht gekomen: een slachthuis, Zandbergen in Veenendaal. Een kwestie van in korte tijd geld nodig hebben omdat een roofvogelproject in Kroatië lonkte, schapen snijden voor een gierenrestaurant op Cres.

In het slachthuis volgde een practicum dierlijke anatomie en existentiële ervaringen, die je bij een gemiddeld biologisch college slechts tot sprinkhanen kon beperken. Mijn rauwe vleesdoop kwam aan de lopende band. Met een keukenmes in handen, randjes wegsnijdend van varkenshuiden sta je daar met de blik op oneindig. Of je krijgt als traktatie het koningsnummer, het sorteren van bloedige grote koeienlevers in bakken.

Als iets me tot vegetarisme had moeten drijven was het deze leverervaring.

De levers kwamen in rijen van vier en moesten in bakken van twee. Of in rijen van twee samen in één bak. Iets in die geest. Medewerkers aan de lopende band, waar ook ter wereld, zijn geneigd je de intellectueel gezien vrij overzichtelijke arbeid uit den treure uit te leggen. Er komen grote levers binnen in serie uit een machine en ze moeten in bakken. Ik zal het je nog een keer laten zien’.

Als de eerste lever in de bak ligt en de tweede klotst daar bij, vliegt het bloed in het rond. Levers zijn namelijk een vorm van bloedblubber. Al gauw lijk je qua uiterlijk op Michael Myers in horrorklassieker Helloween 3, 4 of 5, ’t kan ook nr 6 zijn, die met ontembare bloedlust aan zijn volgende gillende slachtoffer begint. Net wanneer je volledig onder het bloed zit, je handschoenen druipend, krijg je een niet te negeren, onstuitbare jeuk aan je neus die om een verlossende hand vraagt. En terwijl de band doordraait omdat je de handschoen uittrekt, klotsen de levers door. Zal ik verder vertellen over het geluid van een op de grond klappende koeienlever?

 

Zelfs na een stroom dierorganen heb ik geen gram minder vlees gegeten, terwijl dit toch dé plaats had moeten zijn om mijn bloedlust te verminderen. Een goede verklaring voor mijn aanhoudende honger naar vlees ligt in vegetarische horrorervaringen.

In mijn Wageningse studententijd woonde ik namelijk op een studentenkamp waar ook dierenrechtstrijder Volkert van der G. had verbleven. Droevendaal, dat is de hippievariant van wonen in het groen voor mensen met groene studies. Een bolwerk van vegetarische levenskunst, waarbij op de toegangsweg de woorden ‘seks,drugs en Droevendaal’ stonden geschreven. Kortom, een lekker alternatief oord, waar je niet te lang moet blijven wonen om nog iets van het leven te maken.

Het vrije wonen en de vele feesten waren best door te komen. Maar in culinair opzicht voerde je een hopeloze strijd voor dierengerechten. Dit dankzij het heersende vegetarisme. In de woning, de barak met zeven medestudenten check je zo tegen de avond altijd wie kookdienst heeft. Eens in de acht dagen ben je zelf de klos en moet je kokkerellen. Het nadeel van zelf koken is het vele werk. Maar voordeel is dat je controle hebt over de afloop van het gerecht.

Het pijnpunt op Droevendaal lag juist daar wanneer je de controle uit handen moest geven: wanneer de anderen kookten. De kans op lekker eten verliep dan net als bij Russisch roulette: een gok tussen ondefinieerbaar vegetarisch herkauwvoedsel met mogelijke dood tot gevolg. Dan hadden de herbivoren in de barak kookdienst. Of herkenbare hamburgers, klaargemaakt door enkele rechtschapen provinciale medebewoners en een carnivore fotografiestudent. Hij gaf het omnivorenkamp een kritische massa. Als er een Partij voor de Bieren had bestaan, was deze fotograaf Kamerlid geworden. Net als de Tsjechen ontbeet hij met de drank. Zijn vleesbehoefte nam ook Boheemse proporties aan.

Bij vegetarische inspiratie van ‘de herbivoren’ brak het culinaire angstzweet uit bij de vleeseters. Er verschenen knolselderijsalades, of schorseneerfestijnen uit het Odin-groentepakket. Dat was een oogst van bestelbare groenten uit de natuurwinkel waar mensen in astrologie geloven en de kracht van tenenlezen. Spiritueel heet dat nu. Je kreeg uit dit pakket een salade geserveerd, waarbij je vergeefs in een groen natuurreservaat zoekt naar die zeldzame vogel, en alleen zijn nest vindt met wat gekookt ei.

Helemaal de klos was je wanneer net die medebewoonster kookte, die de moreel nóg juistere veganistische levensstijl aanhing. Dan was zelfs dat ei verdwenen, de strohalm waar de omnivoor zich aan vastklampt.

Stelt u zich voor, u komt moe op de bank vallen na uren vakantiewerk achter vuilniswagen, in de vleesfabriek of als stratenmaker. Honger, net als de kindjes in Afrika. Dan zwaait met geknars de ovendeur open. Op de handen van de kok vaart een rokende veganistische notentaart naar buiten, als de Duitse slagkruiser Bismarck strijdend tegen je eetlust. Stevig? Ja dat wel, gepantserd zelfs.De normale zwaartekrachtversnelling op aarde is 9,8 meter per seconde. Maar deze drooggestoomde notenquiche’s spotten met de natuurkunde Zelfs een voorzichtige hap viel als een kanonskogel je maag in. Eén stuk quiche, dat op de grond viel werd later door aboriginals in Australië teruggemeld.

Het meest afstotende was echter de geleiachtige substantie die het notengebeuren bijeen hield, als de oven er op 280 graden al geen bouwmateriaal van maakte. Over bouwmateriaal gesproken. Het was bekend dat muren van de keuken vol asbest zaten. Oost West Asbest heette één barak zelfs en je kon verwachten dat de veganisten liever asbest zouden gebruiken, dan dierlijke ingredienten zouden toevoegen. Was het bindmiddel pure asbest? Tot de dag van vandaag is mij duister welk plantaardig plaksel dan wel voor veganistische magen bestemd was. Ik heb het recept nooit opgevraagd.

Op onze barak ontwikkelde zich zo al snel het verschijnsel van voedselvluchteling. Bij de eerste aanblik van veganistische notentaart renden de vleeseters saamhorig en met gepaste wanhoop richting AH. Er is namelijk een grens aan zelfkastijding. Erst komt das fressen, dan die moral. Met vleeseters samen op een kluitje bakten we bloederige biefstuk, terwijl huisgenoten met figuurzaag hun cursus moralistisch eten voor gevorderden afmaakten. Zo dwongen de vega's toch respect af in hun volharding. Wij hedonistische watjes genoten ondertussen van een gezonde dosis dierenleed. Om scheurbuik te voorkomen, ging je af en toe bij de Mensa van Unitas een Griekse salade eten.

 

Wie vlees eet zal zelf ook een dier moeten kunnen doden. Dat is de gezonde omnivorenmoraal: je ziet in dat iets dood moet voor je zelf kunt leven, voor het eten van salade moet de plant eerst ook dood. Ook dat kost mij geen enkele moeite. Sinds Helloween deel 6 in Veenendaal heb ik eigenhandig het nodige dierenleed veroorzaakt dan wel bijgewoond. Kippen onthoofden, in herten snijden in Schotland en assisteren bij het doorzagen van elanden in Zweden. Het is een vreemde ervaring om iets als dode materie te behandelen met mes, dat je net nog zag rondhuppelen. Maar wel leerzaam.

Dierengerechten zijn wat mij betreft dus een blijver, al was het maar vanwege de vrijheid om zelf je menu samen te stellen. Je bent wat je eet als omnivoor en juist dat flexibele is iets om te koesteren in plaats van in te perken. Strijders voor dierenrechten, zijn in mijn ogen ook moreel fouter dan liefhebbers van dierengerechten. Velen van hen zijn vaak anti-Westerse zeurpieten met verwerpelijke ideeen.

Dierrechtfilosoof Peter Singer met een leerstoel aan de prestigieuze Princeton Universiteit heeft vrij fascistische ideen over hoe je met zwakkere mensen moet omgaan. Hij heft met retoriek de fundamentele scheiding op tussen mens en niet-mens: de rede, die maakt dat wij onszelf KUNNEN onderscheiden van dieren. Uitzonderingen als mensen met hersenbeschadiging bevestigen die regel: de mens kan voor zichzelf uitspreken wat juist is. Het dier moet zich verlaten op mensen, 'deskundigen'om aan andere mensen uit te leggen wat goed is.

Volgens mij gaat het bij dierenrecht iet over dieren, maar over mensen die andere mensen willen inperken. Zo’n dierdictatuur, waarbij dierenliefhebbers als een soort orakels van ‘het dier’dicteren wat dieren goed zouden vinden/ wat andere mensen niet meer mogen. Zo worden onze prooidieren allegorische predatoren, als masker voor menselijke dictators. Ja, denk daar maar eens over die moeilijke zin na.

Maar terug van de academie naar de keuken. Met moralisme is het bovenal slecht koken en eten. Wie ooit sprinkhanen heeft geprobeerd als moreel verantwoorde vleesvervanger weet wat ik bedoel. Na één knisperend stukje ongedefinieerd survival-voedsel snelde ik naar de pan met hertenbiefstukken. Daar zinkt je mes door een sappige zachtheid. Het water begint met die handeling al in je mond te lopen. Gulzig laat je je tanden zinken in die zachtheid, die haar vocht loslaat op je tong wanneer je het langzaam kauwend vermaalt: de rozemarijn-wijnsaus en vleessappen mengen zich in je mond met je eigen mondvocht.

Het dier heeft zo de meest nobele eindbestemming gevonden in haar eigen én het menselijk bestaan: jouw lichaam opbouwen en dat van je tafelgenoten die ook zichtbaar genieten en vieren dat zij deze dag mogen leven. Echt lekker eten doe dus je zonder surrogaatgeweten, en als veteraan in de strijd voor dierengerechten kan ik dat niet genoeg benadrukken.