De natuur ziet niet onder een stolp



Een koraalrif is een toonbeeld van biodiversiteit. Die ontstaat paradoxaal genoeg mede dankzij een tekort aan nutrienten en regelmatige verstoring. Qua biomassa zijn de troebele voedselrijke noordelijke wateren veel beter bedeeld. Foto RZ2009


01-01-2010

Natuur en milieuclubs willen ‘het natuurlijke evenwicht’ herstellen, dat door menselijk handelen in de war zou zijn geraakt. Maar de meeste moderne ecologen denken nu dat dit evenwicht nooit heeft bestaan.

‘Alle soorten planten en dieren hebben elk een eigen plaats in de natuur: ze kunnen niet zonder elkaar bestaan en ze houden elkaar in evenwicht. Genetische manipulatie kan dat evenwicht behoorlijk in de war brengen. Greenpeace vindt dat genetisch gemanipuleerde planten niet verbouwd moeten worden, omdat we niet weten wat die planten met het natuurlijk evenwicht doen.”

Zie hier in notendop de populaire aanname van een bestaand ‘natuurlijk evenwicht’. Met deze tekst benadert Greenpeace sinds 2008 kinderen in de folder ‘Over Oma’s neus en genetisch geknutsel’. Een schapenlichaam met parkietenhoofd toont hier de gevolgen van genetische modificatie. Maar ook bij de in Nederland en België voor volwassenen verspreide klimaatfolder ‘Klimaat, tips en tricks’wordt het natuurlijke evenwicht bedreigd. ‘Wij stoten steeds meer broeikasgassen uit, de warmte in de atmosfeer hoopt zich op en het fragiele natuurlijke evenwicht komt ernstig in gevaar”

Het ‘verstoorde’natuurlijk evenwicht als onbedorven toestand leeft algemeen in de populaire cultuur. Campagnes van fondswervende bedrijven sluiten hier dan ook op aan. Ook het Wereldnatuurfonds wil bij ieder natuurbeschermingsproject, of het nu in de Yangtze is of de Canadese Grand Banks, ‘het natuurlijke evenwicht’herstellen. Tegelijk willen Nederlandse jagers al jagend het ‘natuurlijk evenwicht herstellen’door te jagen. Bekende wildernisideologen als de ecoloog Frans Vera willen die jagers juist verjagen uit de natuur.

Rapporten van overheden zijn vaak doortrokken van natuurbalansen. Het Amerikaanse Department Of Energy, bijvoorbeeld ‘Biofuels, a solution for Climate Change’ reppen over ‘het herstellen van de natuurlijke balans van CO2 in de atmosfeer’. Het Nederlandse overheidsorgaan Planbureau voor de Leefomgeving brengt rapporten uit met de naam ‘Natuurbalans’, waarin de voor- en achteruitgang van biodiversiteit staat beschreven.De Stern Review over klimaat van econoom Nicholas Stern rept over herstel van een nieuwe ‘balans’tussen natuur en mens.

 

Religieus idee

 

Er is echter één probleem. Het natuurlijke evenwicht, een spontane balans heeft waarschijnlijk nooit bestaan. Moderne ecologen hebben het idee verlaten als een mythe verlaten, omdat natuurlijk evenwicht on-Darwinistisch is en niet gebaseerd op experimentele waarneming. Verandering en natuurlijke selectie van individuele soorten vormt de basis van alle biologie en dus ecologie. Ecosystemen zijn dan ook niet de uitkomst van een mysterieus‘evenwicht’. Ieder stukje natuur is een momentopname van een open proces met continue verandering.

Hoewel Darwin zijn ‘Origin’al 150 jaar geleden schreef, blijkt dus weer hoe moeilijk evolutionair denken inburgert. In‘The Balance of Nature, ecology’s enduring myth’, veegt ornitholoog John Kricher daarom de evolutionaire bezem door de erfenis van Griekse ideaalfilosofie en creationisme. Omdat wij hieraan volgens deze ecoloog het idee van ‘de natuurlijke balans’danken. (zie kader) ‘Het is tijd dat we deze ideologische ballast loslaten’zo motiveert Kricher zijn boek, dat afgelopen zomer bij wetenschapstijdschrift Nature werd aanbevolen.

Vanuit menselijke tijd- en ruimteschaal bekeken, lijken stabiele relaties te bestaan tussen plant en diersoorten. Maar die stabiliteit is schijnbaar en tijdelijk. Zij bestaat bijvoorbeeld alleen in de korte periode en het kleine gebied waarin een ecoloog onderzoek doet. Of van een mensenleven, tot onze historische archieven. Dat principe heet schaalafhankelijkheid in tijd en ruimte. Op andere schaal veranderen soorten doorlopend, verhoudingen tussen dier- en plantensoorten verschuiven continue in een ecosysteem. Maar ook klimaten op aarde veranderden continue en zelfs het heelal dijt uit. Exit natuurlijk evenwicht.

Ook de onmisbare rol van diersoorten stelt Kricher ter discussie. Evolutie via natuurlijke selectie is een kansspel zonder doel.Er is biologisch bekeken dan ook geen enkel levend wezen in de natuur met een onmisbare‘rol’of ‘doel’ , behalve voedsel voor anderen. Popeye, de spinazieliefhebber was dan ook recht in de leer toen hij stelde: ‘everything is food food food’. Het wegvallen van muskietenlarven, heeft meetbare invloed op vissen die ze eten. Maar dat hoeft niet beslist. Veel soorten schakelen over op ander voedsel, zo schrijft de ecoloog in het hoofdstuk ‘wat voor doel hebben muskieten?’

 

Huishouden

 

Kricher levert een Angelsaksische versie van het evolutionaire missiewerk, dat de Duitse ecoloog Josef Reichholf bij de Oosterburen uitvoert. Deze bij ons nog onbekende stadsecoloog is in Duitsland wetenschappelijke rockster, en winnaar van de Treviranus-medaille, de hoogste onderscheiding voor Duitse biologen.

Met zijn uitspraken jaagt hij de Duitse milieubescherming in de gordijnen. “Veel natuur- en milieubeschermers hebben Darwin niet begrepen”, stelt Reichholf desgevraagd. “Ze hebben een veel te statisch natuurbeeld, en dus willen zij dat alles hoort te zijn als vroeger. Terwijl natuur naar Darwin veel dynamischer is.”

In zijn ecologische schotschrift ‘Stabiele Ungleichgewichte, nach ein Oekologie der Zukunft’ ziet Reichholf niet alleen het creationisme als oorzaak van statisch natuurdenken. Vooral Ernst Haeckel moet het bij hem ontgelden. Deze tijdgenoot van Darwin had in de negentiende eeuw een doorslaggevende invloed op de Europese natuurstudie. Die invloed bleef in de twintigste eeuw nagalmen.

“Haeckel is de bedenker van het woord ecologie”, verklaart Reichholf. “Het ‘huishouden’ van de natuur, waarin alles op orde is en iedere soort zijn rol heeft. Haeckel was Darwin’s grootste popularisator, maar hij legde hem doelgericht en dus verkeerd uit. Alsof evolutie automatisch naar een hoger doel en perfectie streeft. Met grote gevolgen, want dankzij Haeckel’s enorme invloed ontstond een natuurbeeld waarin perfectie bestaat, en waar zondige mensen automatisch indringers zijn, ordeverstoorder.”

Ook experimenten tonen dat de natuur nooit in rusttoestand verkeert. Ook experimenten tonen dat de natuur nooit in rusttoestand verkeert. Elisa Benincà, Jef Huisman en Klaus Jöhnk van de Universiteit van Amsterdam publiceerden samen met ecoloog Marten Scheffer in februari 2008 in Nature hun analyse van een achtjarig lab-experiment over ecologische relaties bij plankton. Het experiment was opgezet door de Duitse ecoloog Reinhard Heerkloss.

Dit minimilieu met planktonsoorten uit de Baltische Zee bevatte zowel ‘prooi’, het fytoplankton als ‘roofdieren’, het zooplankton dat deze prooi eet. In een afgesloten systeem bleven steeds de verhoudingen tussen soorten verschuiven, ookal bleven het milieu en de voedselcondities gelijk. ‘Het natuurlijk evenwicht bestaat niet’, zo reageert Scheffer desgevraagd. Omdat een natuurlijk systeem chaotisch is, kun je dus ook geen lange termijnvoorspellingen doen over soortenaantallen.

Het nieuwste onderzoek van Benincà, Huisman, Jöhnk en Heerkloss in december in Ecology Letters nam twee prooi-roofdierrelaties uit het experiment onder de loep. Zij wilden verklaren hoe die chaos ontstaat. Wanneer je één prooi-roofdier relatie neemt, lijkt de natuur overzichtelijk. Het schoolvoorbeeld uit de ecologie van prooi-roofdierrelaties vormt hier het onderzoek van Charles Elton aan sneeuwhazen en lynxen. Neemt de lynx af, dan kan de haas weer toenemen in aantal, en omgekeerd.

Maar wanneer meerdere prooi-roofdierrelaties naast elkaar bestaan, zoals vaak in de natuur, dan houdt dit overzichtelijke plaatje op te bestaan, zo toont de Ecology Letters-publicatie. De neergang van de ene ‘prooi’ bevoordeelt andere prooisoorten die meer voedsel krijgen. Zo krijgen de roofdieren die deze prooi eten weer meer voedsel. Door die continue verandering, blijven de twee cycli van prooi-roofdierrelaties elkaar chaotisch afwisselen. De auteurs maken een vergelijking met twee pendule klokken waarvan de slingers tegen elkaar in zwaaien.

 

IJkpunt

 

De campagneleider voor Stichting Greenpeace Nederland voor duurzame landbouw en gentech, Herman van Bekkem wil aanvankelijk wel reageren op de vraag hoe Greenpeace met dit gegeven omgaat: ‘het natuurlijk evenwicht bestaat niet’. Maar later ziet hij daar van af, en Greenpeace laat via een officiële reactie weten: “Die discussie over terminologie maakt ons niet uit. Wij kunnen net zo goed ijveren voor vollere oceanen, en dat natuurlijk evenwicht noemen. Mensen knagen aan de basis van dat evenwicht.”

Ironisch genoeg heeft een belangrijk natuurgebied als de Waddenzee minder biomassa gekregen, dankzij de aanpak van vermesting met fosfaten en andere voedingsstoffen voor algen. Uit de snelle effecten van milieumaatregelen blijkt hoe veranderlijk de natuur is en hoe zij snel reageert op milieuwijzigingen: die veranderlijkheid is een directe aanwijzing dat er geen ‘natuurlijk evenwicht’is.

Alle relaties in de natuur zijn dynamisch. Die constatering maakt milieubescherming minder makkelijk. Want als je de natuur wilt ‘herstellen’ hoe ‘hoort’het dan te zijn? Die vraag, welke referentie je moet gebruiken als ijkpunt voor de moderne natuur, is een fundamenteel probleem in de discipline van conservation biology. Ecologen als John Terborgh beschreven het probleem, naar welke natuur je moet streven in ‘Where have all the birds gone’. (zie kader) Het ecosysteem dat kansen biedt voor de ene soortengroep is weer nadelig voor de andere soortgroep.

Een voorbeeld vormt het kappen van bos voor landbouw door Amerikaanse kolonisten in de Oostelijke Verenigde Staten vanaf de zeventiende eeuw. Enkele bosvogels werden sterk teruggedrongen, maar veldleeuweriken profiteerden. Wie dus de oorspronkelijke bossen weer wil herstellen benadeelt deze nieuwe profiteurs, tijdelijke winnaars in de darwinistische strijd om het bestaan. En welke soort is dan het beschermen waard. Zoals Kricher schrijft, ‘heeft god een enorme voorkeur voor parasieten, tien procent van alle organismen leeft op een ander.’Een spandoek met ‘red te teek’is nog nooit verschenen.

Ook Scheffer erkent hier de normatieve kant van de bescherming van ecosystemen.“Het wegvissen van de kabeljauw voor de kust van Canada was jammer voor de vissers, en voor de kabeljauw misschien”, zegt hij. “Maar andere vormen van visserij, zoals op krab zijn door het verdwijnen van de kabeljauw opgebloeid, doordat het voedsel van kabeljauw kon profiteren. Wel valt het mij op hoe vaak moderne veranderingen teweeg zijn gebracht door mensen.”

 

Ecosysteemdiensten

 

Wat verandert er dus aan natuurbescherming met Darwin in de hand? De meeste natuurbeschermers stapten in de jaren negentig al over van soortbescherming, naar ecosystemen en nu de strijd tegen klimaatverandering. Maar bij onnauwkeurige definitie leidt die benadering al snel tot opschalen van biologische onjuistheid. Want er blijft nog steeds een oude ideaalsituatie bestaan die hersteld moet worden.

Bij moderne ecologie is niet de integriteit, dus de onschendbaarheid van een bestaand ecosysteem de norm. Wel de flexibiliteit, en de mogelijkheid om aan te passen. Volgens Scheffer kiezen de meeste ecologen nu voor de benadering van ecosysteemdiensten, een idee dat Kricher ook beschrijft. Een ecosysteem is niet langer een samenstelling van soorten die instort bij verandering. Het systeem moet kunnen meebuigen met verandering, waarbij het de zelfde functies kan blijven vervullen, zoals voedselvoorziening en opvang van klimaatfluctuaties.

Biodiversiteit heeft in dit idee nog een belangrijke functie. Het vergroot hier de veerkracht, ‘resilience’. “Wanneer je meer soorten in een systeem hebt, is er altijd wel één die het gat kan vullen”, zo verklaart Scheffer. Voldoende veerkracht maakt dat bestaande situaties niet zomaar omklappen, bijvoorbeeld van een kleurig duikparadijs met vissen en koraal naar een onaantrekkelijke zeewoestijn.

Zowel Reichholf als Kricher zijn geen natuurbarbaar, maar gepassioneerde natuuronderzoekers. Laatstegenoemde bepleit dan geen terugkeer naar vroeger. Maar hij is wel voor sterke reductie van CO2-emissies, omdat hij bang is voor gevolgen van eventuele snelle ecologische verandering. De ecoloog onderschrijft het standpunt van klimaatpanel IPCC, dat voorspelt dat de opwarming van afgelopen eeuw weer verder zal gaan door toenemende CO2-concentraties. “Het goede nieuws, is dat er nooit een natuurlijke balans was, maar dat stelt mij op de een of andere manier niet meteen gerust”, stelt hij.

Reichholf ziet meer in geleidelijke aanpassing aan komende veranderingen, dan de huidige focus op CO2. “Onze bondskanselier Angela Merkel wil nu strijden tegen klimaatverandering”, reageert de ecoloog en ornitholoog. “Het enige voordeel, wat mij betreft is dat Duitsland hier nu eens niet tegen andere landen strijdt. Zoals ik al in mijn boek ‘Ein Kurze Klimageschichte Des Letzten Jahrtauzends beschreef’, zijn klimaten in Europa zelfs in de afgelopen duizend jaar doorlopend veranderd. In warme periodes floreerden beschavingen, terwijl koude periodes met misoogsten gepaard gingen. Mensen hebben zich steeds aangepast, en met moderne techniek gaat dat alleen maar makkelijker.”

Ook plant en dier moeten ruimte krijgen om zich aan te passen. Nu klimaatpolitiek alle gelden en aandacht opeist, maakt Reichholf zich extra zorgen over biodiversiteit. “Neem trekvogels die van de ijskoude Noordpool naar de warme evenaar trekken”, zegt hij. “Die hebben geen stabiel klimaat nodig en stabiele temperatuur. Zij hebben rustplaatsen nodig om bij te tanken, en bij voldoende ruimte kunnen ze zich blijven aanpassen. Watervogels hebben wetlands nodig, zoals vastgelegd in de Ramsar Conventie. Terwijl de natuur- en milieubeweging strijdt tegen klimaatverandering, zie je dat de politieke aandacht voor gebiedsbescherming verslapt.”

Wat de politieke realiteit betreft: Het editorial van Science van 18 september lijkt Reichholf gelijk te geven. De bioloog Harald Mooney van Stanford University schrijft dat de internationale onderhandelingen over het tegengaan van biodiversiteitsverlies, ‘ver achter lopen bij onderhandelingen over klimaat.’ Het gaat hier om afspraken over de Convention on Biological Biodiversity en de Ramsar Conventie voor wetlands.Het doel om biodiversiteitsverlies voor 2010 te bevriezen, wordt niet gehaald. De meeste landen blijken de verzameling van soortgegevens nog niet eens op orde te hebben. Uitspraken over wereldwijde voor- of achteruitgang van soorten blijven daardoor deels gebaseerd op natte vingerwerk.

Bovendien blijken veel boomplantages in de Sahel, die werden aangelegd ter compensatie van Airmiles, soortenarme monocultures te zijn. Hier is nauwelijks voedsel voor trekvogels, in gebied waar zij vroeger overwinterden . Dat meldt de nieuwe vogeltrekpil ‘Living on the Edge’van Leo Zwarts, Rob Bijlsma, Jan van der Kamp en Eddy Wymenga, ecologen die al een kwart eeuw de veranderingen volgen in dit belangrijkste overwinteringsgebied van onze trekvogels. Zo worden trekvogels pervers genoeg getroffen door Global Warming-activisme. En ook zonder natuurlijke balans zullen weinig ecologen de directe impact van mensen betwisten op andere diersoorten.

 

 

//Kaders:

 

Er zijn toch evenwichten?

 

‘Het enige stabiele evenwicht in de natuur is de dood’, zo stelt ecoloog Josef Reichholf. Levendigheid, soortenrijkdom ontstaat niet door stabiliteit, maar bij gratie van een zekere verstoring, en continue toevoer van energie. Die verstoring mag niet te groot zijn, maar ook zeker niet te klein om een maximale biodiversiteit te ontwikkelen. De soortenrijkdom en biomassa in tropische regenwouden is vooral aan energietoevoer door de zon te danken, maar ook deels aan een gebrek aan nutriënten volgens Reichholf, de ‘verstoring’. De levensduur van de belangrijkste ecologische spelers als bijvoorbeeld eeuwenoude woudreuzen in een bos bepaalt de schijnbare stabiliteit van een ecosysteem.

In ecosystemen is een beweging te zien richting optimale soortenrijkdom. Alleen ontstaat die climax nooit, bijvoorbeeld omdat het weer verandert of een bever een dam bouwt waardoor het bos onder water komt. De Wageningse systeemecoloog en ecologisch econoom Leon Braat vergelijkt het denken bij ecosystemen met de economie.

Zoals natuurliefhebbers geloofden in een spontaan ‘natuurlijk evenwicht’, zo geloofden economen lang in een ‘onzichtbare hand’, naar Adam Smith, die automatisch voor evenwicht op de markt zou zorgen. “De meeste economen verlaten dit neo-klassieke paradigma nu van rationeel handelende individuen, waarbij een evenwicht ontstaat tussen vraag en aanbod met eerlijke concurrentie”, zegt Braat. “Er ontstaat namelijk nooit een evenwicht, er zijn altijd honderden variabelen die voorkomen dat dit evenwicht optreedt.”

 

Natuurideologie

 

Het natuurlijk evenwicht is een mythe, geen wetenschappelijk feit. Die ideologie ontstond dankzij enkele invloedrijke denkers.

- de Griekse filosoof Plato en zijn leerling Aristoteles, dé filosofen die het denken in het Westen én het christendom eeuwenlang dicteerden. Plato is de bedenker van de ideeënleer, die stelt dat alle direct waarneembare werkelijkheid een zwakke afspiegeling is van een ideaaltoestand. De ideale vrouw, de ideale natuur, de begrippen zijn 2500 jaar later nog steeds in gebruik.

- William Paley en de ‘natuurlijke theologie’ van ongeveer 50 jaar voor Charles Darwin. Het idee van een verloren paradijs dat hersteld moet worden, danken wij aan het christelijke zondevaldenken. Theologen verdedigden altijd het idee van de natuur als godsbewijs. De natuur werkt perfect zoals God die schiep, en die perfectie duidt op zijn scheppingskracht. De bekendste analogie is die van William Paley, ‘God de Horlogemaker’. Alle spelers in de natuur zouden in een perfect raderwerk op elkaar zijn afgesteld. Intelligent Design is Paley in een moleculair jasje.

-Ernst Haeckel, de Duitse zooloog en tijdgenoot van Darwin. Hij bedacht de term ‘ecologie’.

- Lynn White. Het ecologisme als ideologie werd mede populair in kringen van milieubeschermers dankzij de invloedrijke paper ‘On the historical roots of our ecological crisis’, van historicus Lynn White in Science in 1967. Hierin betoogt hij dat de christelijke (en humanistische) mensvisie de oorzaak is van de natuurvernietiging, die White meende waar te nemen. Deze visie zet de mens apart van de natuur, en White geloofde dat natuurvolken in harmonie leefden met de natuur.

De meeste milieuclubs noemen zich ecologistisch. Dit betekent dat zij de mens als onderdeel van de natuur willen zien. Die visie staat tegenover het antropocentrisme van het humanisme, waarbij de mens de maat is van alle dingen. Bij ecologisme als ideologie treedt vaak spraakverwarring op. Want als de mens zichzelf hoort te zien als deel van de natuur, dan is zijn handelen ook automatisch natuurlijk. In dat geval is een Oosterscheldedam even natuurlijk als een beverdam.

White’s visie is inmiddels door paleo-ecologisch onderzoek achterhaald. Natuurvolken in zowel de Verenigde Staten als Nieuw Zeeland waren veroorzaker van massa-extincties. De invloedrijkste mensen van dit moment, Chinezen hanteren het karakter ‘bewegend ding’als aanduiding voor dier. Dan vallen wij westerlingen nog best mee.

 

 

Vroeger was alles beter

 

‘Where have all the birds gone’, is de titel van ecoloog John Terborgh’s eco-klassieker waarin hij de noodzaak van goede referenties bepleit bij natuurbescherming. Want hoe ‘hoort’de natuur te zijn als je hem wilt herstellen. Voor de Tweede Wereldoorlog leunden ecologen vooral op vergeelde boekverslagen, die beschreven hoe de natuur was. En de meeste dataverzameling vond plaats via amateurs, wat in geen vergelijking staat met moderne databases.

Terborgh constateert dat hij als ecoloog vooringenomen is met de natuur van vroeger die beter zou zijn. “Als kind las ik over de uitgestrekte wouden die bestonden in ‘De laatste der Mohicanen’, van James Fennimore Cooper. Wanneer ik mijn moeder vroeg waar al die bossen gebleven waren, antwoordde ze ‘die zijn allemaal verdwenen’. Terborgh’s moeder liet de latere ecoloog achter met weemoedig gevoel, en een strijdbare houding voor wat verloren was.

De natuurbeelden die natuurbeheerders in Nederland en België nastreven zijn nog deels gebaseerd op de aannames van florist Victor Westhoff. Deze invloedrijke vegetatiekundige stelde de soortenrijke plantengemeenschappen in agrarisch natuurland van voor 1880 als norm. Dat was ver voor de invoering van kunstmest, de (te)sterke nutriëntentoevoer die voor soortverarming zorgt. Maar volgens de Duitse ecoloog Josef Reichholf is die aanname ook niet ‘natuurlijk’. Want soortenrijkdom in de negentiende-eeuwse landbouw ontstond door de uitputting van landbouwgrond, dus nutriëntengebrek en menselijke overexploitatie.

De vraag wat ‘normaal’is en ‘afwijkend’, is dus normatief, en bestaat op menselijke tijdschaal. Net als bij ‘normaal weer’. De norm is hier een gemiddelde uit 30 jaar, bepaald door meteorologen. Maar op een tijdschaal van 1000 jaar, of 10.000 jaar ziet ‘normaal’weer er anders uit.

Ook bij met emotie omhangen onderweren als ‘het klimaat’ spelen die normatieve vragen. EU-politici en het klimaatpanel IPCC nemen de Kleine IJstijd als referentie, door te stellen dat ‘de temperatuur niet hoger mag komen dan twee graden boven die van voor de Industriële Revolutie’. Die Industriele Revolutie begon namelijk in een relatief koude periode, toen de temperatuur net een beetje steeg. En welke CO2-concentratie is ‘natuurlijk’? Want de fotosynthese van C3-planten, waaronder tarwe is aangepast op de veel hogere concentraties, meer dan 1000 ppm van miljoenen jaren geleden.