Klimaatfouten zijn geen ‘incidentjes’meer



Het aardige van wetenschap is dat niets heilig is en je er dus op mag schieten. Maar bij het IPCC lijkt de grens tussen ideologie en zuivere wetenschap dun: foto RZ2009


21-03-2010

De voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), Robbert Dijkgraaf leidt het onderzoek naar fouten in het rapport van VN-klimaatpanel IPCC. Een kwaliteitskeuring is hard nodig, want ook de biologische hoofdstukken van dit rapport zitten vol met suggestieve formuleringen, overdrijvingen, foute behandeling van wetenschappelijke literatuur en biologische onwaarheden.

 

Dat blijkt uit een kleine analyse van citaten en literatuurverwijzingen in hoofdstuk 4 ‘Ecosystems, their Goods and Services’, waarvan Wagenings bioloog Rik Leemans mede hoofdauteur is. Hieronder volgen vier uiteenlopende voorbeelden: één biologische onwaarheid, één voorbeeld van onwetenschappelijke methode. Verder één voorbeeld van tegengesteld aanhalen van geciteerde literatuur en één vorm van klimaatoverdrijving. Het IPCC kent drie werkgroepen. Werkgroep 1 behandelt de fysica achter klimaatverandering, werkgroep 2 de gevolgen van die geprojecteerde verandering. Werkgroep 3 bespreekt de maatregelen. Al de fouten in dit artikel komen van Werkgroep 2. Hoofdstuk 4 van deze werkgroep bevat (veel) meer fouten dan hier aangehaald.

 

Biologisch onwaar

 

Op bladzijde 230 stelt het IPCC: ‘Ecosystemen op de Noordpool dragen significant bij aan de biodiversiteit op aarde’ (Chapin et al., 2005a; Usher et al., 2005). Tussen haakjes staan de referenties naar geciteerde literatuur. Hierna schetsen de auteurs bedreigingen door opwarming die deze rijkdom zouden aantasten.

Maar van de Evenaar tot de Noordpool neemt soortenrijkdom juist exponentieel af, en arctische gebieden behoren tot de meest soortenarme streken op aarde. Dat blijkt ook uit de geciteerde literatuur. Usher stelt dat ‘arctische gebieden bijdragen aan een klein en variabel deel van de wereldwijde biodiversiteit.’ Zo zijn slechts 9 zoogdiersoorten uniek voor de poolgebieden, 0,2 procent van het aantal zoogdiersoorten op aarde. Bij vogels zijn minder dan 40 soorten uniek voor arctische gebieden op een totaal van iets minder dan 9000. Statistisch significant, dat wel.

 

Tegengesteld aan geciteerde literatuur

 

Volledig tegengesteld aan de conclusie van de aangehaalde literatuur is de IPCC-claim in box 4.4 over koraal en klimaatverandering op bladzijde 235. Het IPCC stelt: ‘een verdubbeling van CO2 vermindert de aanmaak van kalkskeletten door koraal met 20 tot 60 procent ’. De originele studie waarnaar de stelling verwijst komt van Stephanie Reynaud (Global Change Biology 2003). Bij haar labexperimenten vond ze bij temperatuurverhoging een verminderde kalkaanmaak van 50 procent, maar bij CO2-verhoging trad géén verandering op. Een andere bij dit citaat aangehaalde studie van Joanie Kleypass in Science geeft 18 tot 35 procent verminderde kalkaanmaak, maar de 60 procent is zelf verzonnen door de auteur. Box 4.4 bevat nog tenminste vier vergelijkbare tegenstellingen over de impact van klimaat en CO2 op koraal.

 

Onwetenschappelijk

 

De auteurs van hoofdstuk 4 citeren literatuur die normaal gesproken nooit door de kwaliteitscontrole zou komen van het IPCC. In box 4.5 over de impact van klimaatverandering op trekvogels stelt het IPCC: ‘Eén analyse van 300 trekvogels, ontdekte dat 84% bedreigd wordt door klimaatverandering. Voor de helft dankzij veranderingen in het waterregime (lagere waterstanden en droogte). En dit was gelijk aan de optelsom van alle bedreigingen door ander menselijke oorzaken’.(Robinson et al. 2005).

 

De referentie verwijst naar een rapport ‘Migratory species and climate change’, contractonderzoek van Robert Robinson voor de Britse overheid (Defra). Robinson kiest 300 vogels op de lijst van de Convention on Migratory Species (CMS). Deze conventie regelt de internationale bescherming van migrerende diersoorten. Hij stelt vervolgens dat iedere vogel op die lijst die voorkomt in een wetland, kustgebied, berggebied of rond de Noordpool ‘bedreigd is’door klimaatverandering. Waarom? ‘Expert opinion’.

De informatie over het voorkomen van vogels haalt Robinson uit verspreidingsgegevens van het ‘Handbook of the Birds of the World’, een vogelgids. Het aantal vogelsoorten dat ooit is gesignaleerd in de vier geselecteerde gebieden is 251. Robinson deelt dit aantal vogelsoorten in zijn vier keuzegebieden door 300. En na gebruik van calculator stelt hij vast: 84 procent van alle vogels is bedreigd door klimaatverandering. Waarom? Op basis van voorkomen in wetlands en kustgebieden, habitats die van nature vogelrijk zijn.

 

Klimaatoverdrijving

 

Volgens het IPCC kan de ene vogelsoort in de andere veranderen door opwarming. ‘De broedgebieden van vele arctische wadvogels en watervogels zullen volgens projecties afnemen met respectievelijk 45 procent en 50 procent. (Folkestad et al., 2005) bij toename van de wereldtemperatuur met 2 graden boven pre-industrieel niveau. Een temperatuurtoename van 2,9 graden boven pre-industrieel niveau zal grotere achteruitgang veroorzaken tot 76 procent voor watervogels en 56 procent voor wadvogels.’

Alle genoemde getallen komen uit één rapport ‘Waterbirds on the Edge’van Christoph Zöckler en Igor Lysenko. Dit rapport staat niet bij de referenties, maar de IPCC-auteur verwijst elders in box 4.5 wel naar dit rapport. Op basis van 2 klimaatmodellen voorspellen Zöckler en Lysenko hoeveel toendra en dus broedgebied van 25 vogelsoorten begroeid kan raken met bomen, als de temperatuur stijgt. Alle genoemde percentages komen uit de voorspelling van één klimaatmodel, dat volgens Zöckler het meest betrouwbaar is.

Tabel 6 in dit rapport toont de resultaten, met in de orde van grootte aflopend de percentages toendraverlies. De kleine strandloper zou 45 procent habitatverandering zien, de kolgans 50 procent. De lepelbekstrandloper zou in zijn huidige broedgebied 56 procent vegetatieverandering tegemoet zien, en de toendrarietgans 76 procent. Veel echte arctische soorten als de sneeuwgans krijgen slechts 1 procent verandering voor de kiezen.

De 2.9 graden opwarming die het IPCC aanhaalt komt uit de lucht vallen, en het IPCC goochelt dus wat percentages door elkaar. Wanneer je het IPCC-citaat letterlijk neemt verandert een kolgans bij 2,9 graden opwarming in een toendrarietgans, en de kleine strandloper in een lepelbekstrandloper. En het IPCC kiest alleen de hoogste percentages verandering, die zouden representatief zijn voor álle watervogels.

 

Wat zeggen de auteurs?

 

Hoofdauteur van het gedeelte over koraal is Carol Turley van het Plymouth Marine Laboratory. Zij reageert niet op een herhaaldelijk schriftelijk verzoek om commentaar. De hoofdauteur van het gedeelte over vogels is Jeff Price, directeur Klimaatadaptatie van het Wereldnatuurfonds in de Verenigde Staten. Ook Price reageert niet op herhaaldelijk verzoek op commentaar.