Is begrazing een heilige koe?



Typische nieuwe natuur: biljartlaken met paarden en ganzen


07-05-2010

Begrazing van natuurlandschap is oorspronkelijk bedoeld om variatie te creëren. Maar verkeerde inzet in te kleine gebieden met te hoge begrazingsdruk kan ook leiden tot snelle achteruitgang van dekking en kleinwild. Wanneer beheerders zich op tijd laten bijsturen door veldonderzoek en nieuwe kennis, kan begrazing positief werken.

In Naturalis herhaalde Vera op 28 maart zijn bekende en invloedrijke visie, die al te vinden was in ‘Metaforen voor de Wildernis’, zijn proefschrift in 1997. Er zou een oerlandschap hebben bestaan in de delta, dat werd open gehouden door koeien en paarden. Die herbivoren zijn dus overal en altijd nodig om dichtgroei met bos te voorkomen. Verruiging van natuurgebieden is dus synoniem voor een gebrek aan herbivoren, er is een incompleet ‘systeem’.

Pas wanneer je grazers, maar ook zwijnen en grote roofdieren weer toevoegt is het ecologische plaatje compleet. Met een compleet ensemble aan zoogdieren ontstaat vervolgens ‘vanzelf’een rijke natuur. Dit is de basisaanname onder alle ‘procesnatuur’, die invloedrijke partijen propageren als Freenature, Stichting Ark, en de grote natuurorganisaties onder invloed van Frans Vera (Staatsbosbeheer) en Harm Piek (Natuurmonumenten), maar ook het Wereldnatuurfonds met Bureau Stroming als vaste adviseur. Zij stonden aan de basis van ‘Nieuwe Natuur’, begrazingsgebied in uiterwaarden van de rivieren en nu ook in de duinen.

De argumentatie lijkt in eerste instantie (eco)logisch, en economisch te verdedigen. Nederlands natuurbeheer was decennialang gericht op het bevriezen van het Nederlands historische landschap, dat dankzij Jac P Thijsse geliefd werd. Beheerders spelen zo op een kostbare wijze voor primitieve boer.

Met toenemende bezuinigingen en veranderend milieu is er een grote behoefte aan ‘zelfredzame’natuur. Toch bestaan felle discussies over nut en noodzaak van grote grazers, vooral buiten de kringen van de grote terreinbeherende organisaties. Vele discussies, vooral bij jagers richten zich op dierwelzijn (zie kader) en de gezondheid van gebruikt vee, maar ook de toegankelijkheid voor jagers. Van ander groot belang voor jagers de dekking voor kleinwild in begraasd gebied. Hier ontstaan soms problemen die terreinbeheerders serieuzer kunnen nemen.

 

New Forest

 

In theorie kan extensieve begrazing een waardevolle aanvulling zijn, die voor meer afwisseling in vegetatie zorgt, mest, meer insecten en dus voedsel voor vogels en zoogdieren. Alleen winnaars dus. Toch gaat het nu vaak fout. Dat heeft allereerst te maken met de referenties. De gebieden die als voorbeeld voor Nederland dienden zijn onvergelijkbaar.

Vera liet zich inspireren door de restanten van zogenaamde bosweidesystemen. Deze gebieden zouden een afspiegeling zijn van het vroeger begraasde half open landschap.

Het grootste voorbeeld van bosweides is het New Forest in Zuid Engeland. Dit afwisselende landschap van heidevelden, bosweide, beekdalsystemen, gesloten bos en productiewoud is excursiegebied waar menig bosbouwer op bezoek gaat. In de tuin van de Forestry Commission in Lyndhurst vindt je dan ook een gedoneerde bank van Staatsbosbeheer.

Een groot deel van de aanblik van dit gebied ontstaat dankzij de vraat van het vrij rondlopende vee, paarden en koeien. Deze begrazing stamt uit de traditie van commoning, het gemeenschappelijk beweiden van voedselarme grond. De boeren zijn ‘commonors’, van oorsprong kleinschalige veeboeren die jaarlijks hun vee bij elkaar drijven, jong vee verkopen en vervolgens de dieren weer vrij loslaten. Alle dieren zijn per eigenaar herkenbaar aan een specifiek merkteken. De zogenaamde ‘Verderers’zien toe op de eerlijke verdeling, het beheer en graaspraktijken.

Het New Forest is echter een volledig cultuurlandschap. Begrazing bepaalt weliswaar de openheid van veel gebieden, de mest en het vee zorgen voor meer insecten. Maar de variatie groeide door menselijk economisch gebruik. Zo was New Forest eeuwenlang koninklijk jachtgebied, en beheerders deden alles om de wildstand te bevorderen. Mensen zetten steeds gebieden af voor grazers, de zogenaamde enclosures waarbinnen nieuwe vegetatie opkwam. Het gebied kent daarnaast diverse beekdalen, een andere geologie en morfologie en ook bosbouw bepaalde de aanblik.

Tot slot is daarnaast de oppervlakte van 30.000 hectare meer dan tienmaal zo groot als het begraasde deel van de Oostvaardersplassen, waardoor op lokale overbegrazing al snel herstel volgt. Kleinere succesvoorbeelden zijn het 30 hectare grote Borkener Paradies aan de Ems in Duitsland. Maar hoewel je hier inderdaad het typische afwisselende bosweideland vindt, met sleedoorn, kruiden, en oude eiken is hier één groot verschil met de ‘natuurbegrazing’van Nederlandse beheerders. De Duitse beheerder haalt de koeien ’s winters weg. Daardoor zijn problemen met winterverhongering voorkomen, en wordt overbegrazing vermeden.

 

Weten zonder meten

 

“Ondanks de vele grote grazers die momenteel in de Nederlandse natuurgebieden rondlopen, is er nog veel onbekend over de directe en indirecte effecten van begrazing. Er bestaat inmiddels een grote schat aan praktische kennis bij beheerders, maar deze is voornamelijk anekdotisch. Gedegen wetenschappelijk onderzoek naar de directe en indirecte effecten van begrazing is, gek genoeg, tamelijk schaars.’

Dit stelde begrazingsecoloog Chris Smit van de Universiteit Utrecht onlangs nog weer vast in zijn artikel ‘de rol van kleine zoogdieren bij begrazing’in het ecologische tijdschrift Landschap. Smit deed onder andere onderzoek in het Junner Koeland aan de Vecht, één van de laatste restantjes van historische bosweides van ongeveer 200 hectare in eigendom van Staatsbosbeheer.

De hoeveelheid gedegen kennis, staat niet in verhouding tot de grootschalige inzet van grazers. Bij 25 jaar begrazing op de Imbosch, ’s lands eerste gebied waar Schotse Hooglanders werden ingezet ontbrak iedere vorm van onderzoek naar begrazingseffecten op flora en fauna. Dit was in 2008, maar in 2010 is nog weinig veranderd aan die situatie van gebrekkig onderzoek. Staatsbosbeheer beloofde al 3 jaar geleden dat serieus academisch onderzoek zou volgen in de Oostvaardersplassen naar de effecten van begrazing. Dit gaat nu van start. Ook in de Imbosch volgt nu onderzoek naar effecten van begrazing.

“De kritiek bij de Oostvaardersplassen richt zich vooral op de kaalslag”, zegt Smit .“Er ontstaat een steeds groter biljartlaken, tot er een crash zou volgen van de grazerspopulatie. De verwachting was dat dan hervestiging volgt van houtige gewassen. Dat herstel is nu beperkt, en wij onderzoeken of beperkte hervestiging met begrazing maar ook een gebrek aan zaden te maken heeft.”

Volgens theorie treedt hervestiging op van vegetatie doordat eerst sleedoorns opkomen. Die doorns bieden dan dekking tegen grazers zodat boompjes opkomen. Zo blijft het gebied afwisselend volgens zogenaamde vegetatiemozaïekjes. Wat het Junner Koeland betreft, toonde Smit aan dat zaden de meeste kans hebben op ontkiemen in ruigte. Er moet dus nog begroeiing zijn om sleedoorns op te laten komen, omdat ze in de eerste 2 jaar nog geen stekels hebben. Muizen transporteren zaden bovendien vooral naar dekking, niet in kaal grasland. Land dat eenmaal kaal is zal dus langer kaal blijven. Terwijl vegetatieherstel essentieel is als dekking voor (jacht)wild.

 

Kleinwild

 

Onderzoek naar (over)begrazing op fauna zoals door ornitholoog Rob Bijlsma in de Oostvaardersplassen toont vooral een negatieve invloed. In tien jaar tijd verloor het ‘Buitenkaadse’deel, dus de begraasde 2000 hectare 21 van de 91 broedvogelsoorten, en van de overige soorten kelderden de aantallen. Maar zoals regiodirecteur Oost van Staatsbosbeheer Piet Winterman stelde: ‘Bijsturen past niet in ons beleid’. Het ‘proces’, dus de begrazing zelf was het doel.

De in de media veel geroemde zeearend blijkt bovendien nauwelijks afhankelijk van de kadavers van herten en paarden in het moeras. Net als in Denemarken en Duitsland vormt zijn hoofdvoedsel gewoon vis en watervogels, zo bleek uit een inventarisatie van de aangesleepte prooien door Bijlsma. Herpetologen, waaronder Edo van Uchelen zijn daarnaast negatief over de invloed van begrazing op de stand van adders en andere reptielen in natuurgebieden in Drenthe. ‘Begrazing wordt ingezet om bijvoorbeeld pitrus weg te grazen. Maar dat is juist de dekking die reptielen nodig hebben’, stelt hij desgevraagd.

Ook bij veel wildbeheereenheden zijn de ervaringen negatief, wat betreft de ontwikkelingen van biodiversiteit door de populaire ‘natuurbegrazing’, het jaarrond begrazen. Zoals bij de herontwikkeling van buitenpolder het Munnikenland bij Slot Loevestein. Het beheerplan werd geschreven door Gerard Litjens van Bureau Stroming. Litjens was eerder werkzaam voor Stichting Ark. Al 11 jaar zijn de grazers aanwezig in een gebiedje van ongeveer 100 hectare rond Loevestein, maar in het nieuwe plan wordt deze begrazing met 500 hectare uitgebreid. Ook zou de zomerdijk doorstoken worden. De wildbeheereenheid Bommelerwaard is kritisch over de in totaal 25 miljoen euro kostende plannen.

“Overal waar de grazers verschijnen verdwijnt de dekking voor het wild snel, ook de bomen”, zegt Niels van den Heuvel, die met zijn vader namens wildbeheereenheid bij het overleg voor de inrichting betrokken was. “Terwijl mijn vader het gebied dertig jaar kent en nog weet hoe het eerst nog een paradijs voor flora en fauna. Wij hebben jarenlang het gebied beheerd en aantrekkelijk gemaakt door aanplant. Maar sinds de grazers kwamen is de wildstand nog geen 2 procent van wat hij was.”

De Wildbeheereenheid mocht aanvankelijk eigen voorstellen indienen, op verzoek van het Waterschap Rivierenland. “Wij wilden dat er hoogwatervluchtplaatsen zouden komen met verschillende gradaties van beplanting. Maar ook met afrasteringen tegen de grote grazers om dekking voor het wild te behouden. Al onze bijdragen in het overleg zijn gewoon van tafel geveegd, het hele gebied is in dienst gesteld van de grazers.”

Een bezoek aan het gebied toont inderdaad het typerende biljartlaken met ganzen dat door begrazing ontstaat. Dekking die de wildbeheereenheid plantte is vernield. Slechts de gebieden die ontoegankelijk zijn voor grazers bieden nog schuilplaatsen voor wild. ‘We zijn bang dat straks het hele gebied nu op de Oostvaarderplassen gaat lijken’, zegt Van den Heuvel. Maar volgens het plan van Bureau Stroming is dit juist de bedoeling; ‘Hiermee ontstaat binnen de oeverwal een gebied met bijzondere natuurwaarden, dat in uiterlijk enigszins zal lijken op (een deel van) de Oostvaardersplassen.’

 

Inzet door beheerders cruciaal

 

Smit werkt veel samen met Frans Vera en is algemeen positief over extensieve begrazing, maar hij heeft vooral kritiek op de toepassing door beheerders. “Men aapt elkaar na, zonder na te gaan of de gekozen begrazing ook in een gebied past”, zegt hij. “Ik deed zelf onderzoek naar begrazing in het Vechtdal en wij adviseerden voortzetting van extensieve begrazing met koeien. Maar Staatsbosbeheer besloot ook paarden toe te voegen, omdat dan het ensemble van grazers compleet zou zijn. Maar in een gebied van 200 hectare lopen dan juist de natuurwaarden en processen gevaar die het gebied afwisselend maken.”

Er is dan ook een verschil tussen de zogenaamde ‘cultuurbegrazing’, zoals van heidevelden waar kuddes met herder tijdelijk verschijnen en de nu populaire ‘natuurbegrazing’, waarbij koeien en paarden jaarrond een gebied bevolken. In natuurbeheer lopen beide nu vaak door elkaar, zodat in kleine oorspronkelijk kleinschalige cultuurgebiedjes jaarrondbegrazing optreedt met daarbij een grote kaalslag.

Het is dus duidelijk dat begrazing geen heilige koe is, een doel op zich. Dan is verdwijning van wild al snel het gevolg. Maar je kunt aannemen dat zowel terreinbeheerders als jagers geen enkel belang hebben bij verdere achteruitgang van soortenrijkdom. Bij begrazing is daarom een meer gedegen wetenschappelijke monitoring nodig. Beheerders moeten zich door waarnemingen en nieuwe kennis laten bijsturen, ook die van veldmensen als jagers. Met tijdig bijsturen kan extensieve begrazing dan soms tot afwisselende natuur leiden, een doel waarop weinig mensen tegen kunnen zijn.