Kneuterige Natuur



De Wodanseiken werden bekend dankzij romantische schilders van de Oosterbeekse School. Randstedelingen op zoek naar Arcadie en primitieve Veluwse boeren die sinds de oertijd onveranderd zouden zijn gebleven. Ruim 150 jaar later leven de eiken nog steeds, maar ook onze romantische behoefte aan 'oernatuur' is springlevend


septembernr

Volgens Natura 2000, het Europese natuurnetwerk is soortenbehoud de beste graadmeter voor natuurbescherming. Maar wat moeten natuurbeheerders doen, om die soortenrijkdom op peil te houden in een veranderende wereld? Zo kneuterig mogelijk doen, blijkt uit nieuwe vegetatiekundige studies.

In ons natuurbeheer strijden twee visies om de eer van de ‘beste’manier om een afwisselende natuur te krijgen met de meeste soorten. Aan de ene kant is er het klassieke natuurbeheer, dat bij plantensociologen geliefd is. Het klassieke natuurbeeld werd natuurbeleid dankzij vegetatiekundigen als Victor Westhoff. Klassieke ‘natuurvorsers’als Jac.P. Thijsse waren de eerste mensen, ruim een eeuw geleden die op de waarde van deze natuur wezen.

Als voorbeeld nemen deze ‘klassieken’de afwisselende kleinschalige landschappen zoals die er in de negentiende eeuw bij lagen. Klassieke natuurbeheerders imiteren daarom de kleinschalige keuterboer om alle soorten te behouden. Zij plaggen, branden en maaien om die landschapjes te bewaren, zoals een bloemrijk Breugheliaans boerenland of blauwgrasland. De ‘klassieken’wijzen op de positieve invloed van kleinschalig menselijk gebruik. Dat gaf precies genoeg afwisseling en dynamiek.

Maar in reactie op dit ‘tuinieren’ groeide bij grote natuurorganisaties vooral de ‘wildernis’van procesnatuurliefhebbers aan populariteit. Echte natuurrijkdom zou pas ontstaan, wanneer je menselijke invloed minimaliseert, en ‘de natuur zijn gang laat gaan’. De procesmensen richten zich bij beheer dan ook vooral op het ongedaan maken van eerdere ontginningen, steken bijvoorbeeld rivierdijken door en voeren grote grazers in als vervanging van de maaier.

 

Mensenverslaving

 

Maar welke natuurtypen ‘scoren’er nu het beste op soortenrijkdom? De ‘wilde’of burgerlijke natuur? De winnaar houdt zich het meeste aan Europese wetgeving, zoals van Natura 2000. Daarin staat soortenbehoud en bevordering van soortenrijkdom centraal.

In de recent bij de KNNV Uitgeverij verschenen onderzoeksbundel ‘Natuur als nooit tevoren’ toont Schaminée dat zogenaamde ‘halfnatuurlijke’ landschappen de meeste zeldzame plantensoorten herbergen. Van ruim 400 geanalyseerde uit de Landelijke Vegetatie Databank (LVD), in Vlaanderen vergelijkbaar met de Florabank, hebben 253 soorten een duidelijk optimum in halfnatuurlijke landschappen en 154 in natuurlijke landschappen als kwelders en moerassen.

Maar kijk je naar zeldzame soorten, dan komen slechts 2 Rode Lijst soorten vaker voor in die wilde natuurlandschappen zonder menselijke invloed. In de halfnatuurlijke landschappen blijken 33 soorten van de Rode Lijst hun standplaats te vinden.

“Beweringen als ‘de natuur weet het altijd het beste’ berusten op een misvatting als je naar soortenrijkdom kijkt”, zegt Schaminée. “Biodiversiteit is zowel gebaat bij dynamiek op de ene plek en stabiliteit op andere plekken, fysisch-geografische afwisseling , gradiënten van nat naar droog. Juist in het vroegere cultuurlandschap ontstond dankzij menselijk gebruik een enorme variatie in allerlei kleinschalige biotoopjes. Wanneer je de daarbij horende soortenrijkdom wilt behoude , heb je die menselijke invloed dus nodig.”

Ook bij diersoorten blijkt het vaak gepropageerde ‘succes’van voorbeeldgebieden voor wildernis als de Oostvaardersplassen overdreven. Tenminste, wanneer je naar de soortenrijkdom kijkt. Zo bleek na inventarisatie van ornitholoog Rob Bijlsma dat in 10 jaar tijd 21 van de 91 vogelsoorten verdwenen, de intensieve begrazing met paarden, edelherten en heckrunderen zou de oorzaak zijn. In floristisch opzicht trad een volledige kaalslag op in het overbegraasde gebied. De vestiging van zeearenden was vooral te danken aan een natuurlijke uitbreiding van de sterk groeiende Duitse populatie. Ook herpetologen kijken met gemengde gevoelens naar de populaire grote grazers, die juist de dekking van pitrus weggrazen waarin adders zich ophouden.

Begrazingsecoloog Chris Smit van de Universiteit Utrecht werkt veel samen met de proces-adept Frans Vera. Hij kijkt nu in het gebied naar wat er mis is gegaan. “De kritiek bij de Oostvaardersplassen richt zich vooral op de kaalslag”, zegt Smit .“Er ontstaat een steeds groter biljartlaken, tot er een crash zou volgen van de grazerspopulatie. De verwachting was dat dan hervestiging volgt van houtige gewassen. Dat herstel is nu beperkt, en wij onderzoeken of beperkte hervestiging met begrazing maar ook een gebrek aan zaden te maken heeft.”

 

 

Flora Belgica

 

Natuurbeheerders die keuterboeren imiteren en ander kleinschalig menselijk gebruik, zijn voorlopig dus beter voor soortenbehoud, dan ‘oerboeren’die oerkoeien het werk laten doen.

Dat burgerlijke natuur wint lijkt ook voor de hand liggend. Veel planten en dieren zijn in de Lage Landen, onderdeel van de Rijn- en Maasdelta evolutionair aan milde menselijke ‘verstoring’ verslaafd geraakt.

Soorten die nu kenmerkend zijn voor zeldzame ‘natuur’als blauwgraslanden, zoals Spaanse ruiter zijn mogelijk mutanten van een knoldistel uit de steppe. Die grassoort zag met slechts enkele eeuwen evolutie zijn kans schoon. Zijn ‘niche’ontstond, toen arme keuterboertjes langs riviertjes de grond afplagden om te gebruiken als vulling in de schapenstal.Het zinkviooltje is een ander en extremer extreem voorbeeld van mensenverslaving. Deze bloem floreerde dankzij de vervuiling door zinkindustrie in Zuid Nederland en Vlaams Limburg. Milieubescherming doet het plantje nu de das om.

Maar voor nostalgisch natuurbeheer hier als verpletterende winnaar uit de strijd rolt, blijft één sterk punt van de procesadepten overeind staan. De klassieke natuurvisie leunt te sterk op een welhaast kneuterig verleden, een positie die niet meer is vol te houden. De ‘klassieken’baseren hun referentie van hoe de natuur ‘hoort’te zijn namelijk op het voorkomen van planten, zoals beschreven in de eerste Flora’s die in de Lage Landen verschenen. De eerste wetenschappelijke plantengids verscheen in 1767 van arts David de Gorter, de Flora Belgica. Meer invloedrijk was de eerste Nederlandstalige Flora in van HC Van Hall uit 1825, de Flora Belgii Septentrionalis.

Maar sinds de negentiende eeuw zijn de Lage Landen sterk veranderd. Nederland en Vlaanderen tellen beide gezamenlijk het drievoudige inwonertal. Tel daarbij de klimaatprojecties van het klimaatpanel IPCC van de Verenigde Naties, en de klassieken lijken alsnog te tuinieren tegen de klippen op.

 

Maar is dat zo? Planten tonen verrassende reacties op verandering in landelijke temperatuur. Dat blijkt uit de in 2008 verschenen bundeling van studies over biogeografie, ‘Grenzen in Beweging’. Het boek verscheen onder redactie van vegetatiekundigen Joop Schaminée en Eddy Weeda verscheen, en beschrijft de verspreiding van plantensoorten bij veranderende klimaten in de vroege en recente geschiedenis. Tot nu toe hebben lokale omstandigheden vaak meer invloed dan globale processen.

In Zuid Limburg nemen koudeminnende soorten juist toe, omdat dankzij beëindigen hakhoutbeheer de dichtheid van bos toenam en dus schaduw en koelte. ‘In deze bossen blijken de effecten van beheer groter dan van temperatuurstijging’, schrijft Schaminée in ‘Grenzen in beweging’.Ook ontdekten natuuronderzoekers van Alterra in 2006 nog het arctische wormmos in de Wieden in Overijssel, op een nieuw stuk trilveen. Het nieuwe beheer van Natuurmonumenten zou hier meespelen.

Door klimaatopwarming, kan de rijkdom in plantengroei bij ons juist toenemen volgens Weeda en Schaminée. Nederland en België liggen niet aan de zuidrand van het verspreidingsgebied van de meeste soorten. Er zijn zelfs plantensoorten, die in het Holocene klimaatoptimum 9000 jaar geleden zich hier tijdelijk vestigden, en zich lokaal handhaafden. Nu de temperatuur weer net zo hoog wordt als tijdens dit optimum, kunnen deze soorten weer profiteren van het nieuwe klimaat en hun areaal uitbreiden.

Hoewel de mate waarin soorten voorkomen vaak sterk afneemt, meestal door landbouwintensivering, sterven in welvarende landen als België en Nederland relatief weinig soorten echt uit. In Nederland bijvoorbeeld leven nu ongeveer 1300 plantensoorten. Dat zijn slechts 50 minder dan FW van Eeden in 1880 beschreef in ‘Onkruid’, dé eerste botanische wandelgids. Van Eeden is de inspirator van de klassieke natuurbeschermers als Jac. P. Thijsse en Victor Westhoff. In de Atlas van de Flora in Vlaanderen staan 1417 soorten beschreven, waarvan minder dan tien procent uitstierf.

De meeste bij klassiek beheer gebate soorten zijn er nog, en dus is dit beheer alles

behalve gedateerd. Toch gaan bij de meeste ecologen geluiden op, dat natuurbeheer wat dynamischer mag worden. Variatie en oppervlakte zijn daarbij sleutelfactoren volgens Schaminée. “Het is een mythe dat je moet kiezen tussen óf alleen procesnatuur óf alleen klassiek beheer’, reageert hij desgevraagd.

‘Van die gedachte wil ik graag af. Waar ik vooral voor pleit, is afwisseling in beheer. Daar bij heb je een voldoende grote oppervlakte natuur nodig, zodat meer soorten zich kunnen handhaven. Maar als je op basis van soortenbehoud echt moet kiezen tussen klassiek beheer en procesnatuur met ‘niets doen’, dan leidt die ‘natuurlijkheid’ eerder tot verschraling dan tot verrijking in soortenrijkdom.”

 

/// kaders

 

De mens is zo slecht nog niet

 

Biologen als Joop Schaminée wijzen in het Nederlandse taalgebied op de positieve invloed van gematigd menselijk ingrijpen. Ook internationaal zijn steeds natuurbeschermers kritisch over misantropische klaagzangen, alsof natuurbescherming vooral zou bestaan uit het weren van menselijke invloed. Een voorbeeld daarvan levert het in maart bij MIT Press verschenen ‘Living through the end of Nature’ van Paul Wapner. Het Britse wetenschapsblad Nature wijdde in april een artikel aan zijn boek.

Wapner geeft antwoord op het invloedrijke ‘The End of Nature’van klimaatactivist Bill mc Kibben uit 1988. Mc Kibben vond altijd zijn zielenheil in de wilde natuur, zonder zichtbare menselijke invloed Maar hij kon hiervan niet meer onbekommerd genieten, nu zelfs bij het weer menselijke invloeden zichtbaar werden. Wapner pleit voor een andere, minder misantropische koers. In plaats van te streven naar een mensloos paradijs, een ‘elysium’ of een door technologie beheerste wereld zou een compromis mogelijk zijn. Juist bij bescherming van huidige natuur is actieve menselijke interventie nodig.

Discussies over wildernis waarin ‘de natuur zijn gang gaat’ versus klassiek beheer zijn overigens een herhalingsoefening. Ook in de dertiger en veertiger jaren van vorige eeuw, overheerste de opinie dat ‘wilde natuur’die ‘zijn eigen gang gaat’superieur zou zijn. Met name de Nazi’s hadden een duidelijke voorkeur voor wilde natuur, grote wouden met enkel inheemse soorten, grofwild en wolven. Die wilde wouden met hun grote hoefdieren zouden het beste de oude volksidentiteit weerspiegelen. Dit bloed en bodem-idee was afkomstig van de negentiende-eeuwse cultuurstroming die de ‘Romantiek’heet.

De Nazi’s voerden Europa’s strengste natuurbeschermingswetten in, waarbij ook roofdieren werden beschermd. Ook bleef tijdens de Tweede Wereldoorlog het beroemde Oost-Poolse oerwoud Bialowieza met haar wilde dieren, streng beschermd dankzij overste jagermeester Herman Goering. Hij wilde het wild voor zichzelf bewaren, en voerde strenge straffen in voor verstoorders van het woud. Onder invloed van vegetatiekundige Victor Westhoff won na de oorlogsjaren het klassieke beheer weer aan populariteit

 

/////

 

Natuurgenot is romantische vinding

 

Modern natuurgenot ontstond niet vanuit mensen die in de natuur leefden, maar dankzij stedelingen. Terwijl bijvoorbeeld de Benedictijner monniken van de Achelse Kluis in Vlaams Limburg de ‘woeste en waterzieke gronden’ontgonnen van de vallei van de Warmbeek, de natuur dus, ontstond in de steden aandacht voor natuurwandelingen en studie van de ‘eigen’natuur. In Nederland ontstond eind negentiende eeuw in Amsterdam rond Jac P. Thijsse en Eli Heijmans de natuurbeschermingsbeweging uit een stedelijke elite van academici en onderwijzers, die de natuur introkken voor studie.

Genieten van de ‘zuiverende’natuur is een vrij recent fenomeen, dat ontstond met de opkomst van de vroeg negentiende-eeuwse kunststroming die Romantiek heet. In reactie op de rechtlijnige Verlichting zochten kunstenaars toen naar een van mensen gezuiverd ‘arcadia’, en hun werk trok vele stedelingen naar de natuur, op de manier waarop vakantiefolders dit nu doen.

De Napoleontische oorlogsveteraan Claude Francois Denecourt vond toen het fenomeen ‘boswandeling’uit. De excentrieke Denecourt lokte halverwege de 19de eeuw vele kunstenaars, en bourgeois Parijzenaren naar het Foret de Fontainebleau, en was de eerste Europeaan die via wegwijzers en wandelroutes boswandelingen uitzette. Zijn voorbeeld kreeg internationaal navolging

In Nederland trokken kunstenaars van de Oosterbeekse School rond 1850 stedelingen, die de ‘Wodanseiken’op de Veluwe schilderden. Zij waren voorlopers van de Haagse School met Mesdag als bekendste schilder, die stedelingen inspireerden tot recreatie in ‘natuur’en pittoreske dorpjes. De negentiende-eeuwse romantische kunstenaars, als Albert Bierstadt vestigden met hun portretten van Yosemite Valley in 1864 de aandacht op ‘wildernis’ bij stedelingen en het Amerikaanse Congres.

Hun werk had grote invloed op de populariteit van natuurrecreatie, en de instelling van Yellowstone als eerste Nationale Park in de Verenigde Staten in 1872 en Yosemite in 1890. De Amerikaanse ‘wildernisbeweging’, aangevoerd door John Muir van bergbeklimmersclub de Sierra Club als aanvoerder had weer sterke invloed op ‘onze’natuurbeschermers.