De prijs van het verloren paradijs



Volgens de ecorekenaars van TEEB is alleen 'ongestoorde'natuur goed genoeg. Die heeft echter nooit bestaan, en je kunt dit oude Veluwse bos dus ook niet meerekenen in je winstrekening. Dat was 150 jaar geleden grotendeels nog kaalgegraasde heidegrond.
Het krijgt strafkorting in de Mean Species Abundance index omdat het ooit door die dekselse mens is verstoord


23-10-2010

Op de Convention on Biodiversity (CBD) vanaf 18 oktober in Nagoya stellen wereldleiders van 150 landen vast dat ze de teruggang van biodiversiteit niet kunnen stoppen. Politici en bedrijfsleven zouden zich alleen nog van natuurwaarde laten overtuigen, wanneer je dat uitdrukt in geld. Maar kun je die waarde wel berekenen?

Volgens cabaretier Herman Finkers konden Zeeuwen zijn grap ‘prijs de Heer, 7,50’, niet waarderen. ‘Dat vonden ze te duur’. Die zelfde moraal geldt ook bij andere zaken van waarde als natuur. Zij levert vanzelfsprekende diensten als frisse zuurstof. Maar wat mag de natuur daarvoor vragen aan mensen? Daar hebben natuurbeschermers sinds kort een antwoord op.

Pavan Sukhdev, hoofd Global Markets Division van de Deutsche Bank werpt zich in Japan deze maand namelijk op als accountant van de hele planeet. Zijn team van ecologische rekenaars berekende de waarde van ecologische diensten als voedsel en recreatie die de aarde zou leveren. De 11 procent van het aardoppervlak, die momenteel beschermde natuurstatus heeft, zou jaarlijks maximaal 5,5 biljoen dollar opleveren aan ‘ecosysteemdiensten’: goederen en service die de natuur levert, maar die nu nog buiten het huishoudboekje vallen van de economie.

Tegelijk zouden mensen astronomische schades veroorzaken, die nu onvermeld blijven. Verlies van biodiversiteit bijvoorbeeld. In Europa zou in dit decennium alleen al 50 miljard euro schade ontstaan door soortenverlies. En ‘van alle onderzochte ecosysteemdiensten is 60 procent aangetast, met menselijke invloed als wortel van het probleem’.

 

Verliesrekening te zwartgallig

 

De aannames staan voorgerekend in ‘The Economics of Ecosystems and Biodiversity’(TEEB). Dit is een rapportenreeks onder verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties, waarvan Sukhdev studieleider is. In Japan presenteert Sukhdev zijn eindrapport, met angstwekkende scenario’s voor biodiversiteit. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) alarmeerde Nederland alvast extra op 5 oktober met het rapport ‘Rethinking Global Biodiversity Strategies’, de PBL-bijdrage aan TEEB. In 2050 zou nog maar 62 procent van de ‘oorspronkelijke biodiversiteit’ over zijn.

Oorspronkelijk klinkt zo ‘natuurlijk’. Maar wat is dat? Een oorspronkelijk systeem is volgens TEEB een ‘van nature’ontstaan gebied, zoals voor de Industriële zondeval bestond. Dat is volgens aannames ergens in de Middeleeuwen. Toch zijn sinds die tijd nog maar ruim 500 soorten door menselijke oorzaak uitgestorven van de anderhalf miljoen wetenschappelijk beschreven soorten. We liggen dus nog achter op schema, qua uitstervende soortenaantallen. De ecologische rekenaars hanteren bij berekening van verlies van biodiversiteit dan ook niet de hoeveelheid soorten. Zij rekenen met de mean species abundance index (MSA), de aantallen per soort.

Een oorspronkelijk, goed functionerend systeem zou volgens de MSA maximale aantallen per soort huisvesten, gesteld op 100 procent. Een gebied dat ooit door landbouw is ontgonnen, zoals Nederland krijgt met deze index automatisch een strafkorting van 80 procent. Ook al zijn er nu meer soorten aanwezig dan 1900. Maar wat is ‘intact’? Waarom zou je een verloren paradijs uit de Middeleeuwen als uitgangspunt nemen, en niet bijvoorbeeld de natuur ten tijde van de dino’s of de mammoet? En liet de natuur zelf in de geologische geschiedenis al niet 99 procent van alle soorten uitsterven?

‘De vraag wat een intact systeem is levert een interessante discussie’stelt Rob Alkemade van het Planbureau voor de Leefomgeving. Hij werkte mee aan het PBL-onderzoek. ‘Sommige ecologen bedoelen bij ‘intact’een goed functionerend ecosysteem. Anderen een oorspronkelijk, van nature ontstaan systeem. Die laatste aanname gebruikten wij ook.’ Veel ecologen zijn pragmatisch. Robert Scholes gebruikt in Nature in 2005 bijvoorbeeld een natuurreservaat als ijkpunt.

‘Maar zelfs als je één definitie hebt, is intactheid in de praktijk moeilijk te meten. Oorspronkelijke systemen, met hooguit jager-verzamelaarsinvloeden bestaan nauwelijks nog op aarde. Dus hoe scheidt je bijvoorbeeld menselijke en natuurlijke invloeden. En hoe vertaal je dat verschil naar waarde van diensten of schade? Onderzoek daarnaar staat nog in de kinderschoenen.’ Volgens Alkemade overschat je zo al snel de schade, maar ook het omgekeerde is mogelijk.

Volgens TEEB kán het enkel slechter gaan vanaf nu. Alleen het verloren paradijs geeft 100 procent MSA, en natuurherstel telt niet mee. Steden als Amsterdam hebben een hogere biodiversiteit, gemeten in aantal vogelsoorten dan de Oostvaardersplassen. Zeker sinds door overbegrazing 20 van de 91 vogelsoorten verdwenen. Toch is volgens TEEB in de stad minder biodiversiteit over.

 

Strafkorting op vooruitgang

 

Daarnaast doet iedere productiviteitsverhoging in landbouw in TEEB, automatisch afbreuk aan de draagkracht van de aarde. Dat ligt deels aan de rekenmethodes, die ecologische rekenaars gebruiken als de HANPP (Human appropriation of Net Primary Productivity). Deze rekenmaat straft automatisch iedere vorm van productieverhoging in de landbouw per hectare. Want het stelt dat alle energie die wij consumeren uit gewassen, automatisch ten koste gaat van natuurlijke ecosystemen op land.

Zo zouden landen als Europa meer dan 70 procent van alle energie uit ecosystemen op land onttrekken. Voor ‘de natuur’zou nog maar 30 procent overblijven. Maar landbouwconsumptie is wel een goede maat voor productie van landbouwgoederen. Toch zegt dit niet beslist hoeveel energie er nog voor natuurlijke systemen op land overblijft. Mensen blazen de plantaardige productie op landbouwgrond kunstmatig op via gewasverbetering, kunstmest en fossiele energie.De productiviteitsgroei per hectare doet in Europa het areaal landbouwgrond juist afnemen, wereldwijd spaarden we zo een oppervlak ter grootte van de Verenigde Staten. Moet Moeder Aarde dus niet eerst beter haar sommetjes maken, voor ze een rekening presenteert?

Ecologisch econoom Leon Braat, één van de auteurs van de eerste TEEB-versie erkent de beperkingen. Toch wil hij de methodiek graag verdedigen. ‘Ik ben van mening dat energietoevoer in de vergelijking mee moest bij TEEB’, erkent hij. ‘Maar mijn invloed was niet zo groot dat ik dat er door kreeg. We doen verder niets mystieks. Er is een bepaalde hoeveelheid primaire productie op aarde, en alle studies die wij gebruikten toonden dat mensen daar nu al op beknibbelen. Dat heeft een prijs, die je kunt berekenen. Met innovatie kun je die grenzen oprekken, maar niet tot in het oneindige. Vaak verplaats je problemen. Ook bij kunstmest zie je dat je nu al met de eindigheid van fosfaatvoorraden te maken krijgt. ’

 

/////

Kaders.

 

 

 

Meer biodiversiteit is niet meer waard

 

In het kielzog van het enthousiasme rond TEEB, lieten ministeries van VROM en LNV het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) het onderzoek ‘Ecosysteemdienst in Nederland’uitvoeren. Het rapport vertaalde de methodiek van TEEB naar Nederland. Maar het Planbureau zag voor Nederland nog geen toepassing voor ecosysteemdiensten. Het begrip zou nog te slecht zijn uitgewerkt.

‘De Ministeries vonden onze nuancerende conclusies soms teleurstellend’, stelt bioloog Rijk van Oostenbrugge, die het onderzoek leidde. ‘Pleitbezorgers van ecosysteemdiensten stellen bijvoorbeeld vaak dat meer biodiversiteit altijd meer geldelijke waarde vertegenwoordigt. Dat is maar de vraag. Met een monotoon rietmoeras kun je misschien wel net zo goed water zuiveren. En met een snelgroeiende monocultuur van bos kun je misschien wel beter CO2 opslaan.”Bij foutief gebruik van het begrip ecosysteemdienst, loop je dus gevaar dat je afbreuk doet aan biodiversiteit.

 

Biodiversitijdverdrijf

 

The Economics of Ecosystems and Biodiversity (TEEB) bevat in haar samenvatting voor beleidsmakers meerdere overdrijvingen, die niet zijn te rechtvaardigen op basis van de geciteerde literatuur en serieus onderzoek. Zo stellen zij: In the last 300 years, the global forest area has shrunk by approximately 40%. Forests have completely disappeared in 25 countries. The

decline continues (FAO 2001; 2006).

De FAO-rapporten stellen dat 7 landen al hun bos verloren. Niet 25. Zij geven nergens de 40 procent. Die erft TEEB uit een andere publicatie ‘The Last Frontier Forests’ van actiegroep World Resources Institute en het Wereldnatuurfonds in 1997. Die stelt dat wereldwijd 40 procent van het oorspronkelijke bos, rest, zoals dat 8000 jaar over de wereld verspreid was ooit is gekapt.

Een voorbeeld: In Europa is zelfs nog maar 1 procent van het oerbos over, volgens de originele bron. Dit is een veel geciteerd getal, dat ook in de serieuze literatuur voorkomt.Toch bestaat meer dan 40 procent van de Europese Unie uit bosgebied. Maar bij TEEB is alleen oerbos van 8000 jaar geleden goed genoeg .