Meer vis door bemesten van de zee?



Een aquatische trekker met zeeboer, ook wel vissersschip genoemd. Met meer fosfaat in het water stijgt de primaire productiviteit en dus ook de hoeveelheid zee-oogst


19-03-2011

Vissers op het Wad en de Noordzee hangt nu tot 25 procent sluiting boven het hoofd van huidig visgebied in het kader van Natura 2000. Zij zouden het voedsel van de zwarte zee-eend bedreigen door bevissing. Daarnaast vonden de afgelopen 30 jaar grote verschuivingen plaats in de samenstelling van vissoorten van het Wad en de Noordzee. De beschuldigende vinger wijst dan al snel richting wanbeheer van visbestanden door visserij.

Maar is sluiting wel altijd het paardenmiddel? De vroegere directeur van het huidige Imares, bioloog Dolf Boddeke pleit al jaren voor andere manieren om de zee te laten bloeien. Zeebemesting. Verwijder niet langer met veel energieverspilling alle fosfaat bij de rioolwaterzuivering. Meer fosfaat zou de kustwateren weer productiever maken. Juist in de fosfaatrijke tijd van de jaren zestig, beleefde de visserij op de Noordzee namelijk gouden tijden. Die Boddeke-hypothese vormt ook de basis onder het uitdagende rapport ‘Ingrijpen in de Natuur’, dat onderzoekers van de mosselvisserijsector dit voorjaar uitbrachten.

Deze milieuketterij is gewoon basic biologie. ‘Schoon’water is een bureaucratische constructie, die in de natuur niet bestaat. De meststof fosfaat is namelijk onmisbaar voor de groei van plankton, en vormt het fundament onder de productiviteit van ecosystemen. Eén belangrijke reden dat de Noordzee bijvoorbeeld belangrijke paaigrond is voor vis, is dat in deze troebele onrustige zee veel voedingsstoffen circuleren vanuit de bodem. Dat schrijft ook de Belgische visserij-onderzoeker Hans Polet al in zijn proefschrift in 2004. Tot een zekere limiet kan meer fosfaat dus meer plankton (=visvoer) laten groeien, en hebben vissenlarven meer te eten. Ergo, de commercieel aantrekkelijke visbestanden van schol, tong en kabeljauw kunnen met wat extra mest sneller herstellen. Experimentele bevestiging van die productiviteitsverhoging is ook ruim aanwezig, zoals via werk van James Elser in Ecology Letters in 2007. De meeste ecosystemen op zee zijn zowel stikstof als fosfaatgelimiteerd: dat is de negatieve ecologenuitleg van het feit dat ecosystemen productiever worden wanneer je er nog een scheutje stikstof en fosfaat bij doet. Elser zelf verklaart zich desgevraagd geen fan, want fosfaat uit mijnen wordt steeds schaarser.

Ethische bezwaren tegen zeebemesting zijn niet principieel in de wetenschap. Want er is al groen licht gegeven voor onderzoek naar klimaatregulering, via het dumpen van ijzer en andere voedingstoffen in voedselarme delen van de oceaan. Die dump zou meer algen laten groeien die broeikasgas CO2 opnemen. Hét grote bezwaar tegen zeebemesting blijft voorlopig angst voor grootschalige groei van cyanobacteriën, beter bekend als blauwalg.

‘In het mariene milieu hebben we een breed scala aan mogelijke toxische soorten die beter gedijen onder rijkere omstandigheden’, schrijft aquatisch ecoloog Miquel Lurling per email. Hij publiceerde dit voorjaar in het Journal of Plankton Research over bloei van blauwalgen. ‘Het lijkt mij verre van wenselijk om dergelijke bloeien te gaan stimuleren, om zo tegenwicht te bieden aan het effect van jarenlange en aanhoudende overbevissing.’

Deze angst voor blauwalgenbloei vormt de basis van de oorlog tegen fosfaat van milieuonderzoekers. Die angst werd wetgeving, na de publicaties van David Schindler in Science in 1974. Hij bevestigde dat grootschalige fosfaat en stikstofbemesting van Amerikaanse meren tot blauwalgenbloei leidde. Die bloei leidt vaak tot het zuurstofloos worden van water en vissterfte.

Beter nieuws voor vissers in verdrukking, is dat de wetenschap kritischer is op grootschalige afsluiting van visgebied. Dat bevestigt het mislukken van de Scholbox, de niet-viszone langs de Noordzeekust voor kotters boven 300 pk. De scholbestanden namen juist áf in de box, zo meldde Imares-onderzoeker Adriaan Rijnsdorp in maart 2010. ‘Het verzoek van milieuactivisten om visgronden te sluiten of de visserij drastisch te beperken kon worden ontkracht’, stelde ook Polet al in 2004 na 10 jaar onderzoek. Hij schrijft dat ‘gebiedssluiting een averechts effect kan hebben, omdat de visserijdruk dan elders toeneemt’.

Ook de gezaghebbende visserijbioloog Ray Hilborn van de Universiteit van Washington, meldde al in 2006 dat het positieve effect van gebiedssluiting in wetenschappelijke publicaties soms werd overdreven. Hilborn benadrukt in al zijn publicaties het positieve effect van een goede regulering van visserij. Hij stelt desgevraagd: ‘Of er een systematische daling in productiviteit is waargenomen is mij niet bekend. Wat wel uit alle data van populaties bekend is: wanneer je visserijdruk vermindert herstellen visbestanden snel. Kijk maar naar makreel in de Noordzee, maar ook kabeljauw, zelfs al worden bestanden nog overbevist.’