Weg met botanische tuinen?

Septembernummer EOS

Botanische tuinen profileren zich wereldwijd als ‘fokplaatsen’voor plantensoorten die met uitsterven zijn bedreigd. Maar de meeste plantencollecties bestaan uit niet-bedreigde soorten. Bovendien blijken botanische tuinen een belangrijke bron van invasieve exotische plantensoorten. Sluiten maar?

Botanische tuinen bogen al eeuwenlang op een goede PR. De Leidse Hortus hielp bijvoorbeeld bij de verspreiding van kinabast van de kinaboom. De hieruit gewonnen kinine redde als enige werkzame geneesmiddel tegen Malaria miljoenen levens. De meeste gewassen op ons bord, van aardappel tot sla komen uit zuidelijker streken. Ook profileren de botanische tuinen als de Leidse Hortus zich via hun brancheorganisatie Botanic Gardens Conservation International (BGCI) zich als ‘the world’s greatest force for plant conservation’.

Toch raakt het botanische tuinfeest nu verstoord door de Nieuw Zeelandse ‘invasiebioloog’ Philip Hulme van het ‘Bio-protection centre’in Christchurch. Hulme voerde één van de eerste systematische studies uit naar de rol van botanische tuinen, als bron bij verspreiding van invasieve plantensoorten. Invasieve exoten gelden na habitatvernietiging als de belangrijkste bedreiging voor biodiversiteit.

Zijn boodschap sierde de cover van het aprilnummer van Trends in Ecology and Evolution. Conclusie: van de 34 planten in de top 100 van schadelijke exoten, zijn zeker 19 soorten al of niet expres vanuit botanische tuinen ‘ontsnapt’. Daar gaat de goede PR. Nieuw nog ongepubliceerd onderzoek van Hulme doet daar nog een schepje bovenop, zo mailt hij desgevraagd.

‘Botanische tuinen profileren zich als belangrijkste bron van behoud van genetische diversiteit van planten’, stelt Hulme desgevraagd. ‘Afgezien van enkele rijk gefinancierde instituten met grote taxonomische programma’s en overzeese samenwerking, blijft van die claim weinig over wanneer je systematisch de activiteiten in kaart brengt. Weinig soorten die voor natuurbescherming van belang zijn bevinden zich in botanische tuinen. En van deze soorten worden meestal zo weinig exemplaren gehouden met zo lage genetische diversiteit, dat ze dat ze bij in situ herstelprogramma’s nauwelijks een rol kunnen spelen.’

 

Het mag geen nieuwe ontdekking heten, dat botanische tuinen exoten verspreiden. Daarvoor zijn ze altijd bedoeld sinds de Antwerpse plantkundige Carolus Clusius eind 16de eeuw. Hij kon onbekommerd slepen met zijn ‘uytlandsche teere ende zeltsame bloemkens’ voor werkgever de Leidse Hortus. Als hortulanus van de Leidse Hortus trokken universiteit en stadsbestuur hem aan, vanwege zijn vele buitenlandse botanische connecties. Dankzij al deze contacten kon hij zoveel mogelijk buitenlandse planten introduceren op de koude grond. Universiteiten gebruikten plantencollecties voor onderwijs en medische toepassingen.

De meeste problematische invasies vanuit botanische tuinen vonden in de koloniale tijd plaats, toen landen als België, Nederland en het Britse ‘Empire’planten uit hun koloniën uitwisselden. Aanvankelijk voor land- en bosbouw, maar steeds vaker werden planten gewoon voor de sier geďntroduceerd, zoals in het Geografische Arboretum dat Koning Leopold II in 1902 liet aanleggen bij het Zonienwoud.

Hulme’s artikel ‘Adressing the threat to biodiversity from Botanical gardens’ noemt als voorbeeld uit de koloniale tijd de kinaboom (Cinchona spp), die zich blijvend vestigde. ‘Gedurende de late 19de eeuw, was de Royal Botanic Gardens in Kew de drijvende kracht achter de verspreiding van de kinaboom. Zij waren verantwoordelijk voor massale planting van kinabomen op Sint Helena als ‘cash crop’, waar het nog steeds een belangrijk deel uitmaakt van de vegetatie.

Andere soorten waren de intentioneel in Zuid Afrika verspreidde Acacia mearnssi, die al snel 2,5 miljoen hectare inheemse vegetatie op de Kaap koloniseerde en overwoekerde.

Maar soms werden planten ook gewoon gedumpt, zoals een overschot waterhyacinthen vanuit Bogor Botanical Garden op Java. Daar vormt deze dumppopulatie nu een plaag.

Spontane ontsnapping is ook mogelijk. Want soms geldt ook voor inheemse diersoorten, dat wat van ver komt het lekkerste is. Dat principe gold bij de ‘ontsnapping’van de Amerikaanse ‘trompetboom’ Cecropia peltata. Deze verspreidde zich vanuit de Limbe Botanical Garden in de bossen van Mount Cameroon in Afrika. Vleermuizen en vogels aten de vruchten en verspreidden zo de zaden. Deze exoot verdringt nu de inheemse pioniersvegetatie.

 

Maar moderne botanische organisaties stellen dat Hulme vooral wijst op verspreiding uit een minder ‘Verlicht’tijdperk, toen het gevaar van exoten nog niet werd onderkend. Mederwerkers van de Amsterdamse Hortus stellen desgevraagd dat niet Horti meer de belangrijkste verspreidingsbron zijn, maar tuincentra. Steeds meer bij de BGCI aangesloten botanische tuinen, ondertekenen de in 2002 opgestelde ‘St Louis Declaration’. Deze schrijft een vrijwillige code voor om verspreiding van invasieve planten te voorkomen, bijvoorbeeld de verwijdering van potentieel invasieve soorten uit de collectie.

Biologe Gerda van Uffelen van de Leidse Hortus stelt verder dat - voorzover te achterhalen in de historie van de collectie - er vanuit Leiden nauwelijks exoten zijn ‘ontsnapt’.’Wat echt invasieve soorten betreft, zijn er maar weinig voorbeelden’, stelt zij. ‘De enige exoot die vrijwel zeker vanuit de Leidse Hortus in Nederland verwilderde is de Japanse duizendknoop. Die kwam in de 19de eeuw in Leiden terecht via Philip Franz von Siebold uit Deshima (het huidige Nagasaki), en kan nu af en toe nog lelijk in de weg zitten.’

In tegenstelling tot bij tropische locaties -waar veel exoten invasief worden en inheemse soorten overwoekeren - lijkt de schade in onze contreien mee te vallen. In Duitsland voerde ecoloog Jan Hansprach van het Helmholtz Centre for Environmental Research een systematische studie uit naar ontsnapte planten uit botanische collecties. Van de exoten in de Duitse natuur bestaat 30 procent uit sierplanten. Van de 8018 geďntroduceerde soorten, vonden vooral de winterharde soorten hun weg in de Duitse wildernis.

Het ‘succes’van een exoot werd vooral bepaald via de selectie door Duitse tuiniers, die winterharde soorten selecteren. De meeste daarvan kwamen uit Amerika. Het artikel vermeldt geen problematische soorten, die invasieve eigenschappen kregen en inheemse vegetatie overwoekerden.

 

Vaak circulerende astronomische schadebedragen door exoten, worden meestal ook zonder context gepresenteerd. De 120 miljard dollar schade per jaar, die invasiebioloog Daniel Simberloff voor de Verenigde Staten noemt, rekent niet de economische opbrengst mee door intentioneel verspreidde exoten als tarwe en maďs.

De meeste exoten zijn zonder risico voor de inheemse planten te houden. Voor invasieve soorten geldt namelijk de ‘ten’s rule’ uit de invasive biology. Van de 1000 nieuwkomers, weten 100 te ontsnappen, 10 daarvan vestigen zich en 1 daarvan kan problematisch worden. Hulme erkent dat het aantal recente probleemgevallen vanuit botanische tuinen meevalt, en zij slechts één van de vele bronnen zijn van invasieve soorten. Hij waarschuwt met zijn artikel vooral voor de grotere risico’s. Botanische tuinen zouden hun bewustzijn te weinig in actie omzetten.

Als voorbeeld noemt hij het feit dat van bijvoorbeeld de 461 Amerikaanse botanische tuinen, slechts 10 de Saint Louis Declaration ondertekenden. Tegelijk zijn er nu wereldwijd 2600 botanische tuinen met in totaal 80.000 soorten in de collectie, én nog 4 miljoen plantencollecties. Van een sample van 450 soorten met invasieve eigenschappen die Hulme nam, bleek 96 procent van die soorten wel ergens in een collectie aanwezig. De kans op ontsnapping is dus sterk toegenomen.

Toch staat Hulme positief tegen botanische tuinen zelf, hij onderkent de economische en historische waarde ‘Mijn uiteindelijke conclusie, is dat botanische tuinen een belangrijk erfgoed zijn, zonder welke de wereld een armere plaats zou zijn’, schrijft hij per email. ‘De meeste botanische instituten zijn zich al goed bewust van de problematiek. Je kunt hun ontwikkeling vergelijken met dierentuinen. Die ontwikkelden zich van negentiende-eeuwse dierendisplays, tot instituten met fokprogramma’s voor bedreigde diersoorten. Botanische tuinen zijn ook zo veranderd. Maar die nieuwe rol als reservoir voor bedreigde plantensoorten moeten ze beter invullen. Die komt in de praktijk niet overeen met wat men zegt.’

 

 

//////////////Kader

 

Herstel na invasie

 

Invasieve exoten gelden na habitatvernietiging als sterkste bedreiging van regionale soortenrijkdom, zo stelt ‘invasive biologist’Daniel Simberloff in het voorwoord van de heruitgave van ‘The Ecology of Invasions by Animals and Plants’, van Charles Elton. Het in 1958 gepubliceerde boek was de eerste publicatie, die het probleem van invasieve exoten beschreef in een ecologische context . Elton’s boek geldt als inspirator van het vakgebied van de Invasion Biology.

Elton voorspelde al de potentie van invasieve soorten als bijdrage aan massa-extincties, dankzij het gesleep met soorten over de aardbol. In een nieuwe omgeving kan een soort explosief toenemen, wat Elton een ‘ecologische explosie’noemt. Die ontstaat, doordat ‘nieuwe soorten’een andere evolutionaire geschiedenis hebben dan de soorten waar zij tussen raken. Die soorten hebben geen wapens ontwikkeld om de nieuwkomers de baas te blijven. Met name bij ziektes is dit het geval.

Een berucht voorbeeld dat Elton aanhaalt is de schimmel Cryphonectria parasitica, die meeliftte met uit China of Japan geďmporteerde kastanjes in een botanische tuin. De ‘Chinezen’waren door co-evolutie resistent tegen de schimmel, maar de Amerikaanse kastanje (Castanea dentata) niet. De schimmel deed vier miljard Amerikaanse kastanjes sneuvelen in 50 jaar, en de soort verdween grotendeels, waar eerder één op de vier loofbomen een kastanje was. Als een Amerikaanse kastanje opschiet, komt hij niet meer tot wasdom.

De door botanici en plantenziektekundigen opgerichte‘The American Chestnut Foundation’(TACF), werkt sinds 1983 aan herintroductie van een aangepaste Amerikaanse kastanje in het oorspronkelijke verspreidingsgebied. Resistentie moet ontstaan via kruising met Chinezen. Door terugkruising met Amerikanen moet een herintroduceerbare resistente kastanje terugkomen die voor 15/16de Amerikaans is, met de resistentie van de Chinees. Voor 2015 wil TCAF tienduizenden van deze in kwekerijen ‘gefokte’jonge boompjes herplanten, in plaats van de makkelijke weg te bewandelen: Chinezen introduceren. Dat zou soortverlies betekenen.