Uitsterfprojecties diersoorten tot 160 procent te hoog

Trek een boek over ‘ecologie’uit de kast, en zwartgallige dreiging is je deel.

september 2011

Astronomische uitsterfcijfers buitelen over elkaar en het komt door ‘de mens’. De Millennium Ecosystem Assessment van de Verenigde Naties in 2005 stelt zelfs dat soorten afgelopen eeuw 1000 maal sneller uitstierven dan ‘normaal’, een getal dat in veel campagnes is gebruikt.

Klimaatpanel IPCC stelt zelfs dat 35 procent van plant- en diersoorten uitsterft door opwarming voor 2050.

Die schattingen baseren zich op aannames van omstreden modellen, zogenaamde Species Area Relationships (SAR). Dat die modellen het uitsterven van soorten stevig opblazen, soms zelfs met 160 procent teveel, is nu andermaal bewezen. Dat blijkt uit de eind mei in Nature gepubliceerde studie van Fianlang Hé en Stephen Hubbell ‘Species Area Relationships allways overestimate extinction rate from habitat loss.’

‘Eerdere schattingen van extreem hoge uitsterfsnelheden, van één soort per uur , of 33 tot 50 procent van alle soorten tussen 1970 en 2000 zijn nooit waargenomen’, schrijven He en Hubbell. ‘Er is ook reden om te twijfelen aan de uitsterfprojecties van het Millenium Ecosystem Assessment, en de projecties van Thomas et al (De enige studie die klimaatpanel IPCC én Stern Review gebruiken RZ) Habitatverlies wordt hier door klimaatverandering gedreven. Echter, het gebruik van een foutieve SAR doet vraagtekens zetten bij hun projectie dat 18 tot 35 procent van de soorten echt risico loopt om uit te sterven voor 2050 door opwarming.’

SAR-modellen worden gebruikt, wanneer biologen geen soortgegevens hebben van een gebied. De modellen koppelden een verdwenen oppervlak van habitat, van bijvoorbeeld regenwoud, aan een theoretisch aantal diersoorten dat daar zou kunnen leven. Volgens theorie, zou er een exponentieel verband bestaan tussen verdwijnend habitatoppervlak en verdwijnende aantallen diersoorten. Alsof je met een hap uit een boterham pindakaas dus meer beleg wegsnoept dan er op die ene hap zit. Die aanname klopt dus niet met waarnemingen. Je kunt dus uit de grootte van de hap uit de boterham (oppervlakte) niet de hoeveelheid verloren pindakaas afleiden, volgens de SAR-methode.

Diersoorten leven bovendien niet egaal uitgespreid als pindakaas, ze leven in clusters, dus niet iedere hap vaagt evenveel soorten weg. Ook hoeft een soort niet enkel in dat gebied voor te komen. Het uitsterven van de Amsterdamse huismus, betekent nog geen musloos Nederland of dat hij nooit meer terugkeert in de stad. In de meeste SAR-projecties, zoals die in klimaatstudies lag juist de nadruk op ‘unieke’soorten, zogenaamde endemen die alleen in het verdwenen gebied voorkomen. De Jordanezen, die vluchten omdat het te heet onder de voeten wordt.

De auteurs van het Nature-artikel beseffen dat ze met hun studie politiek gevoelig terrein betreden. ‘Onze resultaten zullen een gemengde reactie geven in de wereld van natuurbescherming. Aan de ene kant is overschatting goed nieuws. Aan de andere kant zal angst heersen, dat beleidsmakers habitatverlies niet meer belangrijk gaan vinden’, schrijven zij.

Wanneer er meer soorten zijn per oppervlak, ligt de uitsterfsnelheid automatisch hoger. Hier ligt de volgende fout. De Millennium Ecosystem Assessment komt op haar ‘1000 maal hoger’door niet bestaande diersoorten mee te tellen, die nog ontdekt moeten worden. Het gaat dan om tientallen miljoenen niet gevonden soorten, afkomstig van bioloog E.O. Wilson, die het begrip ‘biodiversiteit’voor het eerst gebruikte in de literatuur in 1989. Wilson is ook de bioloog, die de SAR ‘uitvond’, samen met Robert Mc Arthur in 1967.