De Groene Revolutie 2.0 evolueert langzaam



Vooral in Oost Europa liggen grote mogelijkheden om verder te intensiveren

10-12-11

De Groene Revolutie van de jaren zeventig vorige eeuw gaf pessimisten ongelijk: dankzij meer wetenschappelijke kennis kregen 2 miljard extra monden 7 procent méér voedsel. Maar is een nieuwe Groene Revolutie 2.0 voor nog 2 miljard extra mensen in 2050 nog wel ecologisch haalbaar? ‘Armoede is slechter voor het milieu dan rijkdom’.

Voedselveiligheid legde het lang af tegen ‘klimaat’ op de internationale onderzoeksagenda. Maar een piek in voedselprijzen in 2008, met een nieuwe piek in 2010 bracht verandering. De wereldvoedselorganisatie FAO greep die prijspiek aan als mediamoment met de pittige notitie ‘How to Feed the World in 2050’. De FAO stelde’: ‘Hoe voeden wij straks 9,1 miljard mensen?’ ‘Er is jaarlijks 83 miljard dollar méér nodig voor agrarisch onderzoek, 50 procent meer dan nu’ .

De teelt van biobrandstoffen zou ‘tot 3 miljoen meer hongerigen leiden’. Dat alarm sloeg hard in. ‘Voedselveiligheid heeft klimaat verdrongen van de beleidsagenda’, stelde programmadirecteur bosbouw Andrew Wardell van landbouwonderzoeks-organisatie CGIAR dit voorjaar vast in Wageningen. Ook de Leuvense mensenrechtenadvocaat Olivier de Schutter - rapporteur Voedselveiligheid voor Verenigde Naties - constateert tevreden, dat nu al 5 maal zoveel geld bij agrarisch onderzoek belandt als de jaren ’90.

‘De schok die de voedselprijspiek veroorzaakte, leidde al tot de vestiging of versterking van nieuwe initiatieven als het Global Agriculture en Food Security Program’, schrijft De Schutter op 10 december 2010 aan de mensenrechtenafdeling van de Verenigde Naties. Maar De Schutter wil meer: een ‘Nieuwe Groene Revolutie’ stelt hij in augustus op milieuweblog ‘Solutions’. Met ‘agro-ecologie’ als medicijn. ‘Er is een transitie nodig naar een ‘low carbon’ en grondstofbesparende landbouw waarvan de armste boeren profiteren. Dit lukt alleen door een vooropgezet plan, gesteund met massieve politieke wil.’

 

Hoe wordt zo’n revolutie succesvol? De in 2009 overleden Norman Borlaug, Nobelprijswinnaar uit 1970 heet wetenschappelijk aartsvader van de eerste Groene Revolutie. Hij ontwikkelde in Mexico dwergtarwe-varianten met korte halmen die zware aren konden dragen, en de Mexicaanse tarwe-oogst vervijfvoudigde vanaf 1945. In samenwerking met Indische wetenschappers sloeg die vooruitgang over op Azië.

Met massieve investeringen kon in landen als China zo de tarweoogst met 29 procent groeien in de jaren ‘80, op 3 procent minder land. ‘Maar de naam Groene Revolutie was in de jaren ‘70 ongelukkig gekozen, alsof het plotseling werd afgekondigd’, schrijft Australisch landbouwwetenschapper Derek Tribe in 1994 in ‘Feeding and Greening the World’. ‘Aan het succes ging decennia hard werk vooraf van vele wetenschappers.’

De roep om een ‘nieuwe groene revolutie’ stamt al uit de tijd van de oude, toen kritiek groeide op pesticidengebruik. ‘Hulp aan de Derde Wereld is onderhevig aan modes en duurzame landbouw is vandaag het modewoord’, schrijft directeur van het Sustainable Agriculture Programme Gordon Conway in ‘After The Green Revolution’. Dat was in 1989. Conway schetst de contouren van een agro-ecologische hervorming. Productie-ecologen als Rudy Rabbinge werken al jarenlang aan het afmaken van de oude Groene Revolutie in nieuwe jas, in het continent waar die eerder nooit aansloeg: Afrika.

De Alliance for a Green Revolution in Africa (AGRA) combineert al ecologische kennis met landbouwintensivering. ‘Naast twee mensen van de Rockefeller Foundation en de Bill Gates Foundation ben ik de enige niet-Afrikaan, die deelneemt aan AGRA. Men zit in Afrika vaak nog niet op 20 procent van de technisch mogelijke opbrengst per hectare. Het niveau is vaak vergelijkbaar met wat wij in de Middeleeuwen hadden. De potentie in Afrika bij het dichten van de yield gap – het gat tussen wat nu wordt benut en technisch mogelijk is- is gigantisch. En er is de laatste jaren al een grote vooruitgang geboekt.’

 

De milieuwinst van een ‘nieuwe’groene revolutie wordt in Afrika juist gehaald op de oude wijze: via meer oogst per hectare. Zo hoeft geen extra landoppervlak ontgonnen te worden voor landbouw. ‘Bij huidige techniek een man of 11 tot 12 miljard ‘heel goed gevoed worden’, zonder dat het landbouwareaal verder uitbreidt’, stelt Rabbinge. Daalde in Nederland het kunstmestgebruik in 5 jaar al met 50 procent. In ontwikkelende landen in Afrika kan volgens hem het afzweren van kunstmest juist averechts werken: ‘Dan boer je de grond uit’, stelt hij.

Hoe groot de potentie van het dichten van die yield gap is op mondiale schaal voor mens en milieu, daarvan geeft een studie van Jonathan Foley et al in Nature op 16 oktober een schatting. Intensivering van landbouw rond de tropen zou de 12 procent van mondiale CO2-emissies voorkomen, die nu vrijkomen door omzetting van tropisch bos in landbouwgrond. ‘Onze analyse toont, dat wanneer je de oogst brengt tot 95 procent van wat nu technisch mogelijk is, dit voor 16 gewassen een 58 procent grotere opbrengst kan geven mondiaal’, schrijft hij. ‘Zelfs als je maar 75 procent van wat nu technisch mogelijk is zou benutten, komen we op een 28 procent verbetering.’

Foley legt ook een rol weg voor plantveredeling bij het dichten van de yield gap, en de bijbehorende milieuwinst. Maar hoe? De magie van ‘gewone’ plantveredeling van de vorige Groene Revolutie lijkt namelijk deels uitgewerkt. Volgens de FAO groeit de opbrengst van rijst- het belangrijkste voedingsgewas in Azië dat van de Groene Revolutie profiteerde- al 10 jaar nauwelijks meer. Maar volgens biotechnoloog Sanwen Huang is de opvolger van klassieke plantveredelaars als Norman Borlaug al opgestaan.

Op het KLV-congres voor 350 Wageningse alumni ‘How to Feed Our World in 2050’ op 10 november, stelde Huang dat zijn biotechnologengilde de klus klaart voor 2050. ‘Wij zijn de derde generatie plantveredelaars’, verklaart hij optimistisch. ‘Zaadverbetering’ zou ook nú weer een oplossing brengen van het voedselvraagstuk. Een groen revolutionair idee uit de genomics-stal is ‘Rijst 3.0’. ‘Nieuw onderzoek ontrafelt de genetische mechanismen van C4-fotosynthese, om die in rijst in te bouwen. Dat zet de plantbiologie op zijn kop.’

Het dit jaar gestarte C4-rice Consortium, hanteert nu het motto ‘de zon gebruiken om honger te eindigen’. Planten kennen twee mechanismen; C3-fotosynthese als bij tarwe en rijst, en het evolutionair modernere C4-fotosynthese, dat bij subtropische gewassen als maïs voorkomt. De naam C4 is vernoemd naar de 4 koolstofatomen uit CO2, die de plant als tussenproduct naar glucose vastlegt. C3-planten benutten niet alle beschikbare zonne-energie, doordat ze lichtverzadigd raken. Bij C4-planten blijft primaire productie wel steeds verder toenemen bij meer licht. ‘C4 Rijst zou de oogst kunnen verdubbelen én de efficiëntie verdubbelen van gebruik van water én stikstof’, claimt het consortium. De looptijd: nog zeker 15 jaar fundamenteel onderzoek.

 

Het achterblijven van Afrika bij de eerste Groene Revolutie, toont dat techniek alleen niet genoeg is. Even belangrijk zijn sociale vraagstukken als armoede. Die armoede houdt nieuwe agrarische techniek buiten bereik van boeren. Huang’s aanvullende voorstel, om kleine boeren op het Chinese platteland te verenigen in corporaties naar Nederlands model, viel dan ook meer in de smaak bij Wagenings publiek. ‘Zo krijgen ze een betere onderhandelingspositie en kunnen ze betere prijzen afdwingen.’

Publiekswinnaar van alle presentaties die poogden het voedselvraagstuk op te lossen, was echter de aanpak van Westerse consumptie. Om de wereld in 2050 te voeden, zou de Westerling zijn levensstijl moeten versoberen volgens richtlijnen uit de Ecologische Voetafdruk. ‘Slap gelul’, zo stelt Rabbinge desgevraagd.‘Van twee vormen van onduurzaamheid, komt één voort uit rijkdom waardoor je verspilling krijgt, zoals teveel fosfaatgebruik. Maar de tweede en volgens mij nu belangrijkste factor van onduurzaamheid op mondiaal niveau is armoede. Samen met politieke instabiliteit, leidt die armoede tot onderinvestering in agrarische productiemiddelen. Daardoor kiest men na uitputting van één stuk grond voor de gemakkelijke weg van uitbreiding van cultuurareaal. Waarbij men steeds verder de grond uitboert. En het duurt vele jaren voor de bodemvruchtbaarheid weer herstelt.’

 

 

Ontplofte aap strijdt tegen rationele optimist

 

Bij milieuvraagstukken strijden al ruim 40 jaar twee uitersten om de eer. Aan de ene kant staan de eco-pessimisten, die wijzen op een begrensde beperkte draagkracht van de aarde. Aan de andere kant staan de techno-optimisten. Die stellen dat nieuwe techniek voor alle menselijke en ecologische problemen een uitweg biedt.

Het ecopessimisme baseert zich op klassieke populatiebiologie, geprojecteerd op mensen. Thomas Malthus pionierde in deze menselijke populatiebiologie. Hij schreef in 1798 zijn beroemde ‘Essay on the Principle of Population’, en inspireerde Charles Darwin met zijn ‘Strijd om het Bestaan’. Bij voorspoed zou een menselijke populatie altijd sneller groeien, dan landbouw en economie kunnen bijhouden. Armoede en sterfte zouden dan onvermijdelijk zijn, tot een nieuw evenwicht is bereikt met de beschikbare ‘draagkracht’.

Hij schrijft: ‘Dat populatie altijd toeneemt als de bestaansmiddelen toenemen toont ieder voorbeeld in de geschiedenis. Ook kan die kracht van populatie alleen door menselijke ellende of deugd in bedwang gehouden worden.’ Hij schrijft ook, dat ‘vooruitgang’altijd maar tijdelijk soelaas biedt: ‘De enorme groei aan hulp voor de armen, heeft hun leed niet verminderd maar het kwaad hooguit over een groter oppervlak verspreid’.

De Malthusiaanse school kent een Nederlandse apologeet in Jelle Reumer van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. In zijn boek ‘De Ontplofte Aap’ schetst hij de mens als een aap die zichzelf in gevaar brengt, dankzij het wegvallen van natuurlijke remmen. Tegenover de Ontplofte Aap staat weer de klassieke techno-optimistische benadering van zooloog Matt Ridley in ‘The Rational Optimist’uit 2010. Mits kennis en organisatie van de mens toenemen, vergroot volgens Ridley de welvaart voor steeds meer mensen, tegen steeds lagere milieulasten.