Neergang paling in rook gehuld

14-01-2012

De paling zou volgens belangenclubs de panda zijn van de binnenwateren, en vast staat dat vooral jonge aal onze kust nog nauwelijks bereikt. Maar experts kennen niet ‘de’oorzaak van het palingoproer: ‘Het is bijzonder onverstandig alleen naar vissers als schuldige te wijzen’.

 

De aal en daarmee palingvisserij gaat al decennia in aantal achteruit, niet alleen in Europa maar ook in Japan en de Verenigde Staten. De aal zou de ‘panda’van de binnenwateren zijn, zo stelt Fred Bloot van Sportvisserij Nederland. Zijn belangenvereniging en milieuorganisaties pleiten al jaren in media voor een totaalverbod op beroepsvisserij op aal in Nederland.

Dat een broodje paling zich niet meer kan voortplanten en dus negatief de aalstand beïnvloedt, lijkt een waarheid als een koe. Daarom is de landelijke aalvisserij sinds 2009 al 3 maanden per jaar gesloten vanaf september. Maar bij succesvol aalherstel is juist de vraag belangrijk, hoevéél de mindering van menselijke consumptie van Nederaal bijdraagt aan herstel. Experts zijn daarom aanmerkelijk voorzichtiger naar media in de schuldvraag en oplossing.

‘Mijn opstelling is dat het bijzonder onverstandig is om de vissers de schuld te geven, omdat zij niet de enige oorzaak zijn van de achteruitgang van de paling’, stelt Leids bioloog Guido van Thillart, deelnemer aan het Europese palingprogramma Pro-eel.

Er zijn vele theorieën over de achteruitgang, maar dankzij de mysterieuze leefwijze van de aal laten die zich moeilijk bewijzen. ‘De meest waarschijnlijke oorzaken zijn blokkade van de migratie, overbevissing, vervuiling, een parasiet die zich in de zwemblaas van paling nestelt en predatie. Overal in de wereld zien we met palingsoorten dat teruggang sterk gekoppeld is met verstedelijking.’ Meer waterkrachtcentrales en gemalen hinderen de aal. Alleen in makkelijk toegankelijke wateren als de grote rivieren zijn naar verhouding nog grotere bestanden paling te vinden.

 

Vast staat dat te weinig glasaal, jonge aal uit de paaigebieden onze binnenwateren inzwemt. Het percentage glasaal dat de Noordzee bereikt zou volgens een ICES-rapport uit 2009 slechts 1 procent zijn, ten opzichte van de recordbestanden in de jaren ’70 vorige eeuw: toen zwom 70 procent meer glasaal in de Noordzee richting onze kust dan in de jaren ‘50. In de Atlantische oceaan zou nu nog 10 procent van de glasaalbestanden over zijn, ten opzichte van de jaren ‘70. Hoewel bestanden dus met tientallen procenten varieren, is er één ding nu duidelijk: ‘Met de aal gaat het gewoon kloten’, reageert Bloot.

Pro-Eel, waaraan Leidse biologen deelnemen, richt zich nu op manieren om de paling in gevangenschap te laten voortplanten. In Thillart’s lab zijn al larven geboren, maar het vraagt nog enkele jaren onderzoek om te ontdekken hoe die larven succesvol opgroeien. Dat is nu een probleem, want niemand weet precies wat pasgeboren paling eet.

Maar ook die enige zekerheid is een aanname. Zo gelooft iedereen dat onze aal zich zou voortplanten in de Sargassozee, net als de Amerikaanse. Maar dat is gebaseerd op welgeteld één studie, van de Deen Jacob Schmidt in 1923. Die vond in die regio de jongste larfjes, maar niemand heeft ooit een paaiende paling gezien. Alleen van de Japanse paling is exact bekend in welk deel van de Noordelijke Pacific hij zich voortplant.

Kweek in gevangenschap vormt de opmaat naar 100 procent kweekpaling. Dat zou glasaalvisserij overbodig maken. Nu vangen Franse vissers afgelopen jaar nog 14.000 kilo glasaal voor de Chinese markt van kweekpaling.Een belangrijke sleutel –naast die glasaalvisserij- kan liggen bij de vervuiling uit de jaren zestig en zeventig vorige eeuw met dioxines en PCB’s. De stoffen zitten nog in waterbodems, hopen zich op in het lichaamsvet.

Dioxines en PCB’s zouden de voortplanting van de aal remmen, door invloed op de ‘schieraal’, de vette paling die aan paring toe is en naar open zee wil trekken. Van Thillart vond al bij lage concentraties PCB’s een statistisch verband met een rem op de embryo-ontwikkeling van paling. Tegelijk vonden eerdere studies van Belgische en Nederlandse paling een daling in vetgehalten na de jaren 1990. Maar hoe kan hier een verband zijn met PCB’s? Want de vervuiling met die stoffen zat vlak na 1970 op zijn piek, en is dankzij de ban op PCB’s al weer sterk verdund. Dus hoe kun je palingproblemen dan nog toeschrijven aan PCB’s?

 

Toxicoloog Jacob de Boer van de Vrije Universiteit schreef dit voorjaar dat hij een mogelijke oplossing vond voor dat deel van het aalmysterie, in het artikel ‘Eel, an endangered species due to high concentrations of PCB’s’.‘Een effect van PCBs op de vetgehalten was lastig te verklaren’, reageert De Boer. ‘Er zat teveel tijdsverschil tussen. Vrouwtjesalen vestigen zich op plaatsen waar minder aal voorkomt, zie bijvoorbeeld de Waddenzee: bijna allemaal vrouwtjes. Als de PCB’s direct ingrijpen op de vruchtbaarheid van de eitjes, komen er minder alen terug uit de Sargasso Zee. De stand wordt lager en daardoor is er na een aantal jaren, meer ruimte voor vrouwtjes om zich te vestigen op de rivieren’

Rond 1990 laten Nederlandse en Belgische aalbestanden een daling van het vetgehalte zien van 21 naar 13 procent. Eerdere onderzoekers dachten dat de aal gewoon dunner werd. Maar dat blijkt niet het geval. De geslachtsverhouding in steeds meer monstergebieden veranderde naar meer slanke dames en minder dikke heren. Omdat steeds minder glasalen uit de Sargassozee de rivieren opzwemmen om op te groeien, meet je gemiddeld op steeds meer locaties een dunnere aal. Want meer dames vestigen zich in de gebieden die onbezet zijn.

Maar De Boer erkent, dat het chemische verhaal niet het enige is. Hij pleit in zijn artikel voor financiering van meer palingonderzoek door industrie- die de vervuiling immers veroorzaakte met toestemming van de overheid. ‘De praktische kennis van aalvissers is daarbij goed bruikbaar’, schrijft hij. Volgens hem is daarnaast voorzichtigheid geboden bij nieuwe stoffen, die in grote hoeveelheden worden gefabriceerd en gebruikt. ‘Autoriteiten, milieuwetenschappers zouden meer aandacht moeten schenken aan productie van nieuwe stoffen’, schrijft De Boer. ‘Gechloreerde paraffines die in extreem hoge hoeveelheden worden geproduceerd in China kunnen zomaar een nieuwe generatie stoffen zijn, die andere soorten doet uitsterven.’

 

////////////kader

 

Dioxinepaling?

 

Na een uitzending van Zembla vorig jaar én een daarop volgend rapport van Imares van 16 februari dit jaar, legde Staatssecretaris Henk Bleker 100 beroepsvissers sinds maart 2011 aan de kant. Een commissie Dijkgraaf moet zich nu buigen over hun beroepsmatige toekomst. Hun aal uit de grote rivieren zou dioxinegehaltes in het vet hebben, die boven de consumptienorm uitkomen van 12 miljoenste gram PCB’s en Dioxines (omgerekend in zogenaamde TEQ).

De nieuwe Europese norm is 10 miljoenste gram per kilogram, de hoogste gemeten overschrijding in de Hollandse IJssel bedroeg 80 miljoenste gram per kilogram. Het gehalte bedroeg in de vuile jaren ’70 overigens nog 500 tot 1500 miljoenste gram per kilo verse paling. Ook in de Jan van Riebeeckhaven -waar de laatste Amsterdamse palingvisser Piet vist- zou de norm nu worden overschreden.

Maar of consumptie de gezondheid ook schaadt is een ander verhaal. Zoals Jaffe Vink al de basischemie uitlegde in ‘Het Gifschip, verslag van een journalistiek schandaal’, bepaalt blootstelling en concentratie de giftigheid van een stof. Naast de TEQ-gehaltes (concentratie) bepaalt de mate van consumptie de giftigheid. Of wekelijkse consumptie van voeding boven de huidige norm gezondheidsgevaar oplevert is dan ook onderwerp van debat bij toxicologen. De Europese normen zijn vastgesteld na het dioxinekippen-schandaal in België. Andere toxicologen stellen dat de norm een factor 100 hoger kan, bij normale consumptie. Dan zou zelfs de jaren ’70-paling- die ook werd geconsumeerd- weer toelaatbaar zijn.