Sjoemelen met natuur



28-11-2015

Het Planbureau voor de Leefomgeving manipuleert de nationale natuurboekhouding. Zo schetst het een door beleidsmakers en natuurclubs gewenst beeld.

Vertellen Natuurmonumenten en Wereld Natuur Fonds politici hoe de Nederlandse natuur ervoor staat, dan citeren zij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Dat is de wettelijk aangewezen natuuradviseur van de staatssecretaris van Economische Zaken. Tot voor kort riepen natuurclubs jarenlang op gezag van PBL dat het bergafwaarts bleef gaan met onze natuur. Nederland zou sinds het jaar 1700 de natuur hebben verpest, 85 procent biodiversiteit zou zijn verdwenen. Met de ‘resterende biodiversiteit’ van 15 procent eindigde Nederland in 2012 nog in een PBL-ranglijst als ecologische hekkensluiter in de Europese Unie.

Het treurige rapportcijfer dat Nedernatuur volgens PBL scoort-15 procent- behoort al jarenlang tot het campagne-DNA van natuur- en milieuclubs. De Taskforce Biodiversiteit waarmee Hans Alders bedrijven vergroent, gebruikt het lage natuur-rapportcijfer van Nederland voor de noodzaak van natuurbeleid. Ook media citeren het continue. Niemand stelde de vraag, wat dit PBL-getal nu eigenlijk verbeeldde. Biodiversiteit is normaal gesproken de samentrekking van ‘biologische diversiteit’. De meeste wetenschappers doelen met die term op twee zaken. De soortenrijkdom in een gebied. En de populatiegrootte, bijvoorbeeld hoeveel paardebloemen, kieviten en veldmuizen in een gebied leven.

Natuurmonumenten legt het door het PBL geproduceerde verlies aan biodiversiteit uit als verlies van soortenrijkdom in campagne-documenten. Volgens hen zijn er dus 15 procent van de in 1700 aanwezige soorten overgebleven. ‘Alleen Malta doet het slechter,’ stelt Natuurmonumenten. En ooks WNF-directeur Johan van de Gronden- op 10 februari 2011 schetste dat beroerde beeld voor leden van de Tweede Kamer over het Nederlandse natuurbeleid. Waarop Esther Ouwehand van de Partij voor de Dieren reageerde: ‘Vertel ons dan wat wij fout doen’?

De 15 procent van PBL geeft een concreet getal, aan een oude mantra van natuurorganisaties: vroeger was alles beter. Geef ons geld, en wij ‘herstellen’ vroeger. Zo verschaften natuurclubs zich vervolgens een plaats aan de beleidstafel als ‘expert’. Of als morele autoriteit. Zoals directeur van Natuurmonumenten Marc van den Tweel, die 2014 voor de Raad van Kerken’ moreel leiderschap’ agendeerde: “Dieren vol hormonen onder weinig sympathieke omstandigheden.(…) Het schaamteloos leeg vissen van de zee.(….) Nederland dat nog maar 15% van zijn natuurlijkheid over heeft….’

 

Het mirakel van Dijksma 
Die onheilsmarketing verschafte natuurorganisaties de afgelopen 25 jaar unieke privileges. Om rampspoed te keren, kocht de overheid met ingang van 1990 ongeveer 100 duizend hectare boerengrond op voor zogenaamde ‘natuurontwikkeling’, het maken van moeras. Dat is al 25 jaar de belangrijkste en kostbaarste peiler van natuurbeleid. Die boerengrond kwam grotendeels gratis in handen van voornamelijk 3 organisaties, waaronder Natuurmonumenten.

De overheid betaalt ook bij inrichting tot nieuwe natuur het gros van de rekening. Zo kreeg ‘particulier’ Natuurmonumenten sinds 2000 al 700 miljoen euro staatssteun. Maar Henk Bleker zette als Staatssecretaris voor natuur in Kabinet Rutte 1 die privileges plots op losse schroeven. Hij bezuinigde fors op het lopende natuurbeleid, en natuurclubs reageerden geschokt.

In reactie op Elsevier licht Bleker zijn motivatie als volgt toe: ‘Als je 20 jaar bakken met geld blijft besteden aan natuur, en je hoort steeds maar dat het alleen maar slecht gaat’, stelt hij. ‘Als al je beleidsinzet dan nog niet werkt, dan heb je een probleem van een formaat dat een parlementair onderzoek waard is. Het beleid gericht op het terugkrijgen van die soorten was misschien per definitie nooit haalbaar. Die soorten komen niet zomaar terug, en in dat opzicht kun je dus zeggen: het beleid was mislukt.”

De oude mantra ‘het blijft slecht gaan’ was uitgewerkt als rechtvaardiging voor natuurmiljarden. En dan plots lijkt een wonder te gebeuren, wanneer kabinet Rutte 2 aantreedt en Sharon Dijksma de plaats van Henk Bleker inneemt. Het sinds 1990 ingezette beleid blijkt plots wel effect te hebben gehad en moet doorgezet. Dat bericht Dijksma de Tweede Kamer in september 2013 met haar eigen natuurnota ‘het Natuurpact’. En nog steeds betaalt de overheid nu weer 85 procent van de rekening bij grondaankoop.
Het PBL publiceert gelijktijdig een nieuwe nationale natuurgrafiek, die deze bewering ondersteunt. We zien eerst de verkondigde neergang tot ’15 procent’ biodiversiteit. Maar dan plots vanaf 1990 is de vrije val geremd, ‘mede door natuurontwikkeling’. Zoals sectorhoofd Natuur Keimpe Wieringa van PBL stelt voor NRC Handelsblad: “…voor het eerst zien we nu dat de soortenrijkdom niet verder terugloopt”. En recent verkondigden Natuurmonumenten, WNF en ook Vogelbescherming Nederland plots ook- mede op gezag van PBL- een ‘voorzichtig’ natuurherstel. Dankzij het beleid.

 

Niet lage maar hoge soortenrijkdom Nederland
Het Mirakel van Dijksma blijkt echter van gesjoemel met de natuurboekhouding aan elkaar te hangen. Zowel ecologische neergang tot 15 procent ‘biodiversiteit’, als het plotse ‘herstel door natuurontwikkeling’ vanaf 1990, beide zijn verzinsels. Dat blijkt na opvragen van de gegevens die PBL gebruikt via de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) En door de gegevens er bij te pakken van de echt bestaande natuur uit wetenschappelijke databases van biodiversiteit. Dus soort-inventarisaties die per land bestaan. 
Uit die inventarisaties blijkt alvast dat Nederland op Europees niveau helemaal niet zo slecht scoorde op soortenrijkdom. Zo hebben wij met 1500 hoger plantensoorten alvast zes maal meer dan de Finnen. Terwijl Finland in het EU-ranglijstje van het PBL bovenaan eindigde als land met de meeste biodiversiteit. Van uniforme achteruitgang van soortenrijkdom was op nationaal niveau afgelopen eeuw al helemaal geen sprake. Er kwamen netto 112 plantensoorten bij sinds 1900. Ook meldt de eerste Vogelatlas van Nederland uit 1979 de komst van 40 nieuwe broedvogelsoorten sinds 1900. Dus al voor 1990.

Wat PBL ook niet vertelde: de 15 procent ‘resterende’ biodiversiteit, is berekend zonder de natuur van Waddenzee, onze Delta en IJsselmeer. Tel je die wel mee, dan zou ons land aanmerkelijk beter scoren. Bronnen buiten PBL- zoals Leidse biologen in het Cahier Biodiversiteit van de Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, bevestigen in 2011: ‘Hoewel Nederland een klein land is, is de biodiversiteit hier relatief groot. Dat komt juist door de afwisseling van leefgemeenschappen die kan ontstaan door een rivierendelta aan zee’ Veldgegevens bevestigen dat. Vergelijken we de soortenrijkdom van Nederland - 47.600 bekende soorten in 2010 - met andere landen van de Europese Unie, dan scoort Nederland eerder als middenmoter.

Vroeger was alles ook niet beter voor Nederlandse soorten. Grauwe ganzen - nu plaagdieren- waren in 1900 uitgeroeid. Ooit schuwe bosroofvogels als de buizerd koloniseerden weilanden, de stad en industrieterrein. Kraanvogels en zeearenden die natuurclubs als eigen succes verkopen, die doen het in heel Europa goed. Omdat ze niet meer overal worden vergiftigd of gedood, en zich bij de mens aanpassen. Libellen en vleermuizen profiteren van klimaatopwarming. Kortom, veel verandering maar geen uniforme verslechtering sinds 1900.

Ook is het jaar 1990 alles behalve een hersteljaar voor veel soorten. Juist weidevogels gingen sindsdien steeds harder achteruit. Ironisch genoeg mede dankzij natuurontwikkeling. Tussen 2000 en 2010 ging er namelijk 4 maal meer weidegrond verloren aan natuurontwikkeling, water- en recreatiegebied dan aan infrastructuur. Natuurclubs slaan nu tegelijk alarm over de tot ‘nationale vogel’ verkozen grutto. Die weidevogel verdwijnt juist vaak als de weide in typische natuurontwikkelings-terreintjes wordt omgezet: moeras met langharige oerkoeien en duizenden ganzen. En een met zware machines gegraven ‘natuurlijke’ beek, die ontspringt aan de tekentafel van Arcadis. Oerrr!

 

Geschiedvervalsing
De WOB-data bevestigen verder, dat PBL rekent met een zelfverzonnen ‘nep’-biodiversiteit. Die staat geheel los van soortenrijkdom in Nederland en is plooibaar naar persoonlijke voorkeur. Voor 1990 rekent PBL in het geheel niet met Nederlandse soorten en trends daarin. Na 1990 gebruikt PBL wel de gegevens van 457 door beleidsmakers gewenste soorten. Maar de rekenmethode van PBL maakt dat trends in die soorten na 1990 nauwelijks de grafiekvorm beïnvloeden. Volgens Arco van Strien van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft zijn instituut al vijftien jaar geleden – vanwege de methodologische gebreken - afstand genomen van de rekenmethode van het PBL. 
Niet trends in soorten, maar het areaal officieel natuurgebied op land- als percentage van Nederland- bepaalt hoe je ‘biodiversiteit’ scoort bij PBL. Ook het miraculeuze hersteljaar 1990 ontstaat niet door groei in soortenrijkdom of populaties van soorten. Maar door geschuif met landbouwhectares op papier (zie kader). Geschiedsvervalsing bepaalt verder de vorm van de Nederlandse grafiek. We zien ons land al vanaf het jaar 1900 slecht scoren ten opzichte: met 44 procent nep-biodiversiteit, bungelen wij zo onder Europa en de rest van de wereld. Die score daalt verder naar 15 procent in 1990.
 Hoe krijgt PBL de score zo laag? Naast gesjoemel met landbouwhectares, moffelt PBL ook natuuroppervlak weg. Wie de WOB-gegevens bekijkt, ziet dat PBL in 1900 bijna 1 miljoen hectare Nederlandse natuur verstopt in een soort Bermuda Driehoek, wat tientallen procenten biodiversiteit doet verdwijnen. Ook zijn de grafieken van Europa en de wereld met andere methodes berekend dan die van Nederland. Maar PBL doet alsof dit het zelfde is. Dus appels zijn peren bij PBL, omdat het allebeide fruit is. En Neerland’s fruit is het meest rot. Navraag bij de PBL-ecologen of dat wetenschappelijk door de beugel kan, levert van hen het volgende antwoord: ‘Het PBL vindt van wel.’

Wij dienen PBL maar te geloven. Is dat verstandig? Mondiaal erkend top-ornitholoog Rob Bijlsma, die de data van het WOB-verzoek onder ogen kreeg, reageert scherp op de PBL-cijfers: ‘Bovenop een ontbrekende toetsing aan de werkelijkheid, hebben de leveranciers van gegevens ook nog eens allerlei kunstgrepen toegepast om te “corrigeren” voor ontbrekende gegevens. Niets daarvan kun je in die figuren terugvinden. In de wetenschap is dat hoofdzonde nummer 1. Je moet ze maar op hun woord geloven. Dat is geen wetenschap, dat is fraude.’
De positieve kant van het verhaal is er natuurlijk ook: Iets minder geloof in de zelfverklaarde natuur-deskundigen van Nederland lost weer een ecologisch probleem op: buiten de computer van PBL blijken wij niet al eeuwen in een rampenzone te leven.

/////

Kaders

Boekhoudkundig gesjoemel voor gewenste grafiekvorm
PBL vervalst de ecologische geschiedenis van Nederland met een zelf ontworpen natuurcurve. Natuurorganisaties als WNF in haar Living Planet Report en Natuurmonumenten citeren recent nog deze grafiek, om hun boodschap te verkopen: beleid werkt. Die grafiek verscheen in september 2013 toen staatssecretaris Sharon Dijksma haar natuurbeleid, het zogenaamde ‘Natuurpact’ voorlegde aan de Tweede Kamer. Haar boodschap was plots ‘natuurbeleid werkt’, nadat eerder enkel rampspoed werd verkondigd. De PBL-grafiek verbeeldt die blijde boodschap met knik in 1990: ‘herstel door natuurontwikkeling’. 
Gegevens verkregen met de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) bevestigen dat de grafiekvorm ontstaat doordat PBL de landbouw-geschiedenis vervalst van Nederland vanaf 1900. Overal waar bij PBL landbouw verschijnt,- of dit nu in 1900 of 2000 is- daar verdwijnt pardoes 90 procent van alle ‘biodiversiteit’. Het PBL voert een groei in landbouwareaal op van 28 procent in 1900 naar 76 procent in 1990. Daarna zet een daling van 10 procent in. Zo laat zij een ‘nep’-biodiversiteit vanaf 1900 met tientallen procenten dalen En slaat in 1990 de daling plots om in herstel.
Data van CBS tonen dat het areaal landbouwgrond in 1900 al meer dan het dubbele was van wat PBL gebruikt En het landbouwareaal daalt al sinds 1950 in oppervlak. Soorttrends hebben vrijwel geen invloed op de PBL-grafiekvorm. Omdat PBL vervolgens ook nog eens de waternatuur en stadsnatuur niet meetelt, blijft onze biodiversiteit van 1990 tot 2010 rond een magere 14 procent bungelen.